in der de la Sie diese dans le Ce dernierte Ce dernierung des k.k. 11.3. S. D. Sie diese Sr. S. R. S. dans le a- S. R. W. in der Ce qui est eu de ses da wieder eine in der Rückung, oder wegen des de lʼautre votre Ich kurzlich seyn, wenn er wegen des DATES DES ACTes wegen des der besser wegen des werden Sie diese schlagen: A. Obligkeit schöne Sr. de ses Sr. 11. In der Röhne zu in der 4. de la nung des Ce nouvelle ses livres. Deutscher 4. Mynen 11. wegen des ne ses 11.3. 8 de la Votre très wurde Leben daß man diese Bn. Bl. I. S. de lʼautre Ce qui est 8 Ces livres de S. A. 11. Wm. Wm. Suderduik. 1942-43-44-45 Grafschrift in de vorm van een Callade, die Villou mach in afwachting om met zijn makkers te worden Opgehangen(blz. 129). Mensen! broeders! die gijna ons zult leven, Denkt niet hard over ons, Want, als ge medelijden met ons hebt Zal go God U weldra danken. U ziet ons hier met z'n vijfen of zessen hangen: Als, Want Want van het vlees, dat wij te goed gevoed hebben Het is al lang verscheurd eu vergaan, onze tot En wy de beenderen zullen asch en stof worden Laat niemand om ons leed lachen. Maar bid tot God, dat hij ons alles vergeven moge. Als wij U roepen, broeders, heb er dan geen geen afschuw van, al zijn we door de recht rechtspraak gedood. Gij weet toch dat alle mensen iets goeds hebben; daar Vergeeft ons al zijn we overleden zijn. In Tegen de zoon van de maagd Maria Dat haar genade voor ons niet uitgeput zij En dat zij ons voor de helse bliksem moge behoeden Wij zijn dood, laat niemand aus meer kwellen, Maar bid God, dat hij ons allen moge vergeven. De regen heeft ons afgespoeld en schoongewassen En de zon heeft ons uitgedroogd en zwart geblaken Eksders en raven hebben aus de ogen uitgevreten En de baard en de wenkbromoen uitgerukt Novit en tenimmer hebben we rust Nu hierheen, dan daarhein, nagelang de wind draait Hij schept er behagen in, om ons onophoudelijk te pesten. En de vogels pikken ons meer, dan dat een vingerhoed geprikt wordt. Blijft dus niet bij ons, Maar bid God, dat hij ons moge vergeven. Oud Fransch: pieça= al lang clamons= appelons. assis= mis dans leur âme. -=tue occi tarir= uitputten. transis-trépassé-overleden âme ne vous harie: que personne ne nous harcèle (harcelei= kwellen) bué= lessivé= gewassen. cavé= crevé= gevreten Christian Morgenstern: Bundesliedder Galgenbrüder O schauerliche Lebenswirrn wir hängen hier an einem Zwirn! Die Unke unkt, die Spinne spinnt, und schiefe Scheitel kämmt der Wind. O Grenle, Greule,- wüste Greule! Du bist verflucht!"so sagt die Eule. Der Sterne licht am Mond zerbricht Doch dich zerbrachs noch immer nicht O Greule, Grenle, wüste Greule! Hört ihr den Ruf der Silbergäule? Es schreit der Kanz: pardanz! pardanz! da tauts, da grants, da brauts, da blants. Aus: die 3 Groschenoper wach F. Villen: Ballade, in der alles verziehen wird Ihr Menschenbrüder, die ihr nach uns lebt Lässt euer Herz nicht gegen uns verhärten Und lacht nicht, wenn man uns zum Galgen hebt, Ein dummes lachen hinter euren Bärten. Und Flucht auch nicht, und sind wir auch gefallen Seid nicht auf uns erbost wie das Gericht: Gesetzten Sinnes sind wie alle nicht Hier, Menschen, lasset allen Leichtsinn fallen, Hier, Menschen, lasst euch uns zur Lehre sein Und bittet Gott, er möge uns verzeih'n. Der Regen wäscht uns ab und wascht uns rein Und wäscht das Fleisch, das wir zu gut genährt Und die zuviel gesch'n und mehr begehrt: Die Augen hacken eure Raben ein! Und niemals sind wir festgehängt und wiegen Bald hin, bald her, ganz wie eins Übermut! Zerpickt von einer gierigen Vögelbrut. Wie Pferdeäpfel, die am Wege liegen. Ach, Brüder, lasst auch uns zur Warnung sein Und bittet Gott, er möge uns verzeilen. Ballade, die Villonmaakte op verzoek van z'n moeder, om tott Onze Lieve Vrouwe te bidden(bla 54) Die Mädchen, die die Brüste zeigen Um leichter Männer zu erwischen. Die Strolche, die nach ihnen ängen Um ihren Sündenlohn zu fischen Die Limpen, Huren, Huremoeißer, Die Tagediebe, Vogelfrei's Nicht so die Polizistenkunde Die jeden Abend, jeden Morgen Nur Rinde liessen meinem Munde, Auch sonst verursacht Müh'n und Dorgen. Ich könnte sie ja jetzt verfluchen Doch will ich heute nicht so sein. Um weit're Händel nicht zu suchen, Bitt' ich auch Sie, mir zu verzeih'n. Man schlage ihnen ihre Fressen Mit Schweren Eisenhammern ein. Im übrigen will ich vergessen, Und bitte esie, mir zu verzeih’n. Fr. Villon blz 129 Ballade, die Villon maakte op verzoek van zijn Moed, om tot Onze Lieve Vrouwe te bidden(blz 54) Vrouwe der heimelen, Koningin der aarde, Heerseres Overwonnares oder alles hier beneden Ontvang mij, uw onderdanige Christin, En neem haar op onder uw uitverkorenen Al zal ik nooit eenige waarde hebben. Uw goedheid, mijn vrouwe en meesteres Is veel groter dan mijn soudigheid Zonder welke goedheid een ziel geen beloning Kan verdienen. Noch de hemelen Kars hebben(?), ik outken dit niet In dit geloof wil ik leven en sterven. Aan wo zoon segt, dat ik van hem ben Hij zal mij mijn zouden vergeven: Vergeef mij soals de Egyptische vrouw, Of zoals hij den broeder Theophilus heeft vergeven Die door U verlosd en vergeven werd, Hoeveel belofdes hij ook aan den duivel had gedaan. Bescherm mij tegen alles, wat deze ooit doet Dragende maagd, die niet op hield magd te zijn Welke heiligheid meu ook nerdenkt inde mis In dit geloof wil ik leven en sterven Ik ben een arme, oude vrouw Die niets weet en geen letter kan lezen; In de kerk, waar ik lid van ben Is een paradys geschildert met harpen en luiden En de hel, waar de verdoemden verbrand worden. De eene maakt me baug, de ander blij en gelukkig. Vreugde greep mij hoge Godin Omdat bij hem allen toevericht vinden die Die zonder list noch verdichtsel vol geloof zijn, In dit geloof voil ik leven en sterven. U hebt gedragen, heilige maagd, prinses Den regerenden Jesus, die nooit zal ophorden te bestaan De alles-vermogende, die de zwakheid van ons nam Die de hemelen verliet en onskwam verlossen En zijn jeugd aan den dood gaf Zo is onze Heer, dit beken ik En in dit geloof wil ik leven en sterven. Oud Frans. laissa= quitta= erhet. terrienne: de la terre= v. d. aarde emperière des infernaux palus-overwinnares v. d. moerassen. ce nonobstant qu'oncques rien ne valus-quique je ne valusse jamais rien. mérir= mériter= verdienen. jangleresse= mentense.= leugenaarster la foi abolu-pardonné-vergeven quitte-délivré-overgeleverd sans rompure encourir-sans esser d'être viergemoutier= l'église= de Kerk. boullu=bouilli-getrookt liesse: joie vreugde,  ? (Clz 113, 114 en 115) Ballade F. Villon. Ik sterf van dorst dicht bij de Bron, Warm als vuur Klappertand ik; Als ik in m'n vaderland beu, ben ik verweg; Bij een gloeiend houtuur huiver ik; Spiernaakt voel ik me dik aangekleed, Ik lach onder tranen en wacht zonder hoop; Gemah verandert in grote wanhoop, Ik ben blij en heb geen plaisir; penmächtig Ik kan viel zonder kracht en zonder macht En ik bedenk wel, dat ik door iedereen verlaten ben Ik geloof niets, dan het onzekere Alles is donker, behalve hetgeen heel duidelijk is Ik twyvel aan niets, behalve aan dingen die zeker zijn. De wetenschap lijkt mij niet op vaste regels te berusten: Ik verwerf alles en houd niets; Bij't aanbreken van de dag zeg ik:"Heer geef me een goede avond. Als ik in bed lig ben ik baug om te kiezen; Ik heb heel wat al heb ik eigenlijk niets; Ik wacht dat mij jetzten deel valt en ben toch van riemand erfgenaam, En ik bedenk'vel, dat ik door iedereen verlaten ben. e2 223. ... Ik heb voor niets te zorgen, al doe ik alle moeite ook Om goederen te verwerven en't heb er geen aanspraak op, Hij die me iets beters wijswil maken doet me tneer pijn, En van hem, die me meer waarheid vertelt deuk ik, dat hij liegt; Mijn vriend is hij die me van een witte swaan Doet geloven dat het een zwarte raaf is, gelooft dat hijme En hij die me schaadt, thielpt 20 goed als hij kan; Lengen, waarheid,'t is me vandaag allemaal't zelfde; Ik onthoud alles, maar kau er niets van maken. Als ik't goed bedenk, ben ik door ieder een verlaten Zachtmoedige Prins nu het U behaagt om te weten Dat ik veel hoor en er de zin niet van begrijp: Ik ben opgesloten, aan elke wet onderhevig.( ke?) Wat weet ik meer? Wat? De onderpanden terug- Ik heb het onderpand terug hebben Als ik't goed bedenk, ben ik door iedereen verlaten. hoir-erfgenaam. Oud Frans: moult-veel Lesjouijs= m'ejouis= verheug me fors= behalve, buiten. Seur=sür= zeker. Seuf= soif= dorst je gaigne-je gagne: ik verwerf, païs= pay: land verte-vérité= waarheid. cheoir= choix= Keuze 77 ?? 1.23 Brief in de vorm van een ballade aan zijn vrienden F. Villon(Clz. 123-124) Hebt meedelijden, hebt needelijken met mij, Teuminste, als't U belieft, mijn vrienden! Ik lig in een grafkuil, niet onder hulst noch meibomen In dit exil ben ik gebracht. Door een toeval, dat God heeft goedgevonden. Meiden, geliefden, jonge lui en Kinderen, Dansers acrobaten die Kalversprongen maken Zo vlug als een doelk en puntig als één angel, Kelen, die helder Klinken als watervallen, Zullen jullie kein daar laten, den armen Villou wot Zaugers, die voor het vermaak zo maar een ee zingen, Galants, laghend, en grappig in woorden en daden, Reimand en lopend... voln a/ legste foncen Mensen van geest, die een beetje versufd zijn Übent Neel te losgelaten, want men sterft verstandig Makers van gedichten, Kerkzangen en zondeaux, Als bij dood zal zijn, zult gij wijn voor hem maken! Waar hij ligt komt geen bliksem noch wezelwind Van rijpe verwachtingen heeft men hem.....[binnen Zullen jullie hem daar laten, den armen Villon? komt naar hem kijpen in deze zielige toestand, 77? Edele mannen met son Die geen neerser noch koning(bezitten", Maar entelt een God in het Paradijs: Hij(Villon) moet vasten op zondag en Woensdag, 77? Hij eet met lange tanden: Na droog brood, niet na koek, Zij 23 zijn maag is vol water inplaats van dikke soep Hij eet laag bij de grond, hij heeft noch een tafel noch een andere stellage. Zult gijhein daar laten, den armen Villon. Gen. Oud Frans: may=mai=Mei of meiboom soubs-sous-onder. jouvenceaux=jongeling. cler= clair= helder arroi-toerusting (Vertarling uit de dieventaal in't gewone Fransch v. P. d'Alheim) (blz. 134.) Ballade I A Parouart, la grande assemblée joyeuse, Où ceux qu'on êtreint sont décus et maltraités. Par les sergents, qui poursuivent le crime, Sont saisis et pris cinq ou six. Là sont les tricheurs, au plus haut bout assis Pour prendre l'air bien haut mis au vent. Evitez avec soin ces prisons massives! Les coupeurs de boursez, diminués des oreilles Tombent de la vie au néant. Tenez vous sur vos gardes, et ne parlez pas Tombez sur ces lourds passants. Aviser-moi vite leur argent Et tirez au large, par les champs, Pour n'être pas au banc des condamnés, Plus blancs que sacs de plâtre. Si vous êtes pris avec votre butin, Rabrovez-moi ces entendeurs, Et montrez-leur le derrière, De peur d'être ligottes deux à deux. Tenez-vous sur vos gardes, et ne parlez pas! Laissez vos crochets aux portes De crainte des chaînes si dures, Et aussi d'être sur la paille En cage, en cachot, sous de gros murs. Fuyez, mais ne suez pas, Car le Grand prévôt pourrait bien vous sécher! Ne soyez pas endormis pour enjôler les gens, Et faîtes le guet à leurs portes Pour les mieux dépouiller. Tenez-vous sur vos gardes, et ne parlez pas! Prince Floueur, dit des Petits-des Que nul de vos sujets ne s'endorme. Ouvrez l'oeil, de peur d'être saisis Car vous vous en trouveriez mal. Tenez-vous sur vos gardes, et ne parlez pas! Oud Frans of dieventaal: Acollez= embrassés, pris au colAcques: dès gours acques: dès charges: Anses= oreilles= oren Beffleurs-escrocs- Bignez= s’en fuir vers, retourner Bisans-les chaînes Blanc-argent Can(Grand); le grand Prévôt= le président des assises. Circoncis=?? Coffres& prisons= gevangenissen Coffrer= mettre en prison= gevangen nemen Desbourer= dépouiller= déguiser Dorer colorer farder Duppez= cupés, pidés, pris au piège= Embrone rt= s'enfoncer, disparaître= verdwijnen Enclous= enclos, enfermé= opgesloten) Escharrir= déguerpir= Eschec= qu’on se garde= oppassen! Exchever= éviterEssorer= sécher à l’airEvagie= Va-et-vient, Flânerie= op en neer, wandelen Fardis= paroles Fenilles-bourses Frouans= flouer Gandie= joyeuse= vrolijk. Gourd= gourd, lourd- Greffier= Saisir= grijpen Grupper= arrêter, saisir. Luez-regarder, guetter. Mariage-supplice, pendaison: Massis-massifs. Mathe-assemblée, lieu de réunion. Menys= je= ik Muke= nue, prison= gevangenis Noircis= pendus. Paillardie= vol, excroquerie, Parouart= Paris(?) Picons= crochets= Pietonnez= Piétonner Placquer= frapper, taper Plänter Rebignez-rabrouer, aller et venir, regarder à demtois Songeards: songeurs, endormis. surs= en sunt, en sueur. supans: poursuivant: Turines-maisons: huizen 2 prisons= gevangenissen. Vendengeurs: zakkenröller. ys= suis, porte. Ballade in dieventaal blz 134 en 135. In Parouart, da grote vrolijke vergadering Waar zij, die men gepakt heeft bedrogen en mishandelt [worden] Door de sergeants, die de misdaad achtervolgen zijn s vijf of zes gegrepen en gehouden. Daar zijn de bedriegers, zij zitten op het hoogste punt, goed Om Cucht te kunnen scheppen. Vermijdt met zorg deze stevige gevangenissen! De zakkenrollers, die men de oren heeft afgenomen, Vallen van het leven in het niets. Weest op Uw hoede en spreekt niet! Val deze dikke voorbijgangers aan. Breng mij gauw hun geld En verkies maak dat je door de velden weg komt, Om niet op de bank van de veroordeelden te komen, Die witter zijn dan kalk. Als je gegrepen word met je buit, Snouw de..... dan af en keer hun de rug toe Uit angst om twee aan twee geboeid te worden. Weest op Wo hoede en spreek niet. Laat de grendel op je deuren, Uit augst voor so stevige Kettingen, En ook uit augs voor de ellende In een kooi in de gevangenis, achter dikke mura- Vlucht, maar zit niet in de rats Want de rechter zou je goed kunnen vangen! Wees niet te staperig om de mensen in te palmen En lig op de her bij hun deuren Om hen beter te beroven. Maar wees op je hoede en spreek niet Prins v. d. bedriegers. Dat geen van uwhandlangers mdut. Doe je ogen open, uit angst, om gegrepen te worden Want Je zou er slecht bij varen. Wees op je hoede en spreek niet! bez 134-135 Villon Chz 134-135. Ballade Clz. 80. Op sachte Kussens sit een vette domheer Bij een houtunor in een goed verwarinde kamer; Aan zijn zijde ligt vrouwe Sidonia, Blank, zacht, lievelijk en aantrekkelijk; zij drinken dag en nacht wijn, Lachen, spelen, liefkozen en kussen, Beiden zijn naakt om een groter welbehagen te hebben Ik hebhen beiden gezien door een gat tussen twel balken: Sindsdien heb ik ervaren, dat, om de smart tot rust te brengen. Er geen groter schat is, dan op je gemak te leven. Deze Franc Gontier en zijn gezellin Helaine, kunnen meemaken sado Hebben dit heerlijke leven meegemaakt, Van wien, bieslook. Als zij onder een rozestruik gaan stapen Wat is er dan beter? Een bed, waar een stoel naast staat? Wat zegt U. Moet men daar dralen? Er is metsbeters, dan op je gemak te leven. zij leven van droog grauw gerste- of haverbroo En drinken het heele jaar water Geen enkele vogel van hiertot Babylou kost kunnen Bouden my maar een ochtend bij, zu Moet maar een dag van zulke kost teven houder Dat kon ik geen ochtend uithouden Nur rust Franc Gontier er nit Met hem Helaine, onder de mooie rozestruik: Zij hebben het goed, er is geen reden voor, dat ik me erger. Maar hoe ook je dagelijkse werk zij, Er is niets beters, dan opje gemak te leven. Prins, oordeel zelf, om rechtvaardig te zijn. ? Voor Ik voor mij heb er geen afkeer van Al toen ik klein was heeft men mij verteld: Er is geen groter schat, dan op je gemak te leven. Het zelfde geldt voor wat Mademoiselle Bruyères uit haar bijbel zegt, Ballade vom angenehmen Leben aus der 3. Groschenoper nach F Villon. Ihr Herrn, witeilt jetzt selbst; ist das ein Leben? Ich finde nicht Geschmack an alledem Als Kleines Kind schon hörte ich mit Beben: Nur wer im Wohlstand lebt, lebt angenehm. Da Breist man uns das Leben grosser Geister Das lebt mit einem Buch und nichts im Magen In einer Hütte, daran Ratten nagen. Mir bleibe man vom Leib mit solchem Kleister! Das simple Leben lebe, wer da mag. Ich habe(unter uns) genug davon Kein Vögelchen von hier bis Babylon Vertrüge diese Kost mir einen Tag. Was hilft da Freiheit? Es ist nicht bequem Nur wer im Wohlstand lebt, lebt angenehm. Die Abenteurer mit dem kühnen Wesen Und ihrer Gier, die Haut zu Markt zu tragen, Die stets so Frei sind und die Wahrheit sagen, Damit die Spiesser etwas Kühres lesen Wenn man sie sieht, wie das am Abend Friert Mit kalter Gattin stumm zu Bette geht Und horcht, ob niemand klatscht und richts ver- steht: Und trost los in das Jahr fünftausend stiert Jetzt Frag ich Sie mir noch: ist das bequem? Nur wer im Wohlstand lebt, lebt angenehm. Ich selber könnte mich durchaus begreifen Wenn ich mich lieber gross und einsam sähe. Doch sah ich solche Leute aus der Nähe Da sagt ich mir: das musst Du dir verkneifen. Armit bringt ausser Weisheit auch Verdruss Und Kühnheit ausser Rum auch bittre Mühn. Jetzt warst du arm und einsam, weis und Küln Jetzt machst du mit der Grösse aber SchlussDann löst sich ganz von selbst das GlücksproblemNur wez im Wohlstand lebt, lebt angenehm 5 Villon Holz 136-137 ben. Ballade in dieventaal vertaling door P.d’Alheim in’t Frans. Ioguillards, qui revenez à Ruel, Je vous chante mieux qu'une caille De n'y pas laisser le corps et la peau, Comme fit Colin de la Cognille. Devant les juges, très habillard, Il jabota pour son saltut Mais comme il était peu persuasif Le bourreau lui rompit le crâne. changez de mises souvent; Tairez tout des pieds à la tête, Et prenez garde, en Fuyant, De vous embarrasser dans vos robes. Montigny en fut, par exemple, Bien piqué au gibet, Il y balbutia entremblant Quand le bourreau lui rompit le crâne. Cavaliers consommés en piperie, Pour attaquer les niais au loin A cheval, vite sans suée. Que les mignons ne soient au partage Accoutrées du plumage de Fers, Qui charge et garde le duc(le chef) Très loin de la terre, Grâce au bourreau qui rompt les crânes. Prince, arrière de Ruel, Et, quand vous n'auriez argent ni pelure, Ne laissez pas le peau de votre visage Au bourreau qui rompt les cranes. Cla 136-137 Ballade II Schurken Dieven, die terugkomen naar Ruel, Ik ik zing je beter dan een kwartel. Om er niet je lichaam en je huid te laten, Ioals Colin v.d de schavuit Hij was voor de rechters heel praatziek Hij pleitte maar voor zijn behoud Maar omdat’t niet erg overtuigend was, Stoeg de beul hem de schedel in. Verander vaak van kleding. Trek dan alles uit van't hoofd tot je voet en, En pas op, als je veucht. Om niet in je kleren verward te raken. Montigny was er by voorbeeld Erg gekweld door toen hij aan de galg hing Cibberend Hij stamelde curiog iets van Toen de beul hem de schedel in sloeg. Lavaliers Heeren die alles Volmaakt zijn N2/7 bedrog Om de onnozelen in de verte aan te vallen, Spring op je paard vlug, zonder augst, Opdat die duiven niet bij de verdeling zijn Die aangekleed zijn met yseren veeren, Die des hoofdman aanvallen en gadeslaat Ver van de aarde verwijderd, Dank zij Genode den beul, die de schedels inclaat. Prince, Blijf ver van Ruel En als je geld noch Kleren hebt Laat dan niet deut van je gezicht Bij de beul, die de schedels inslaat. Ballade II in dieventaal Trompeurs trompant en tromperie, Regardez bien où vous tromperez, Que la prison ne fasse finir votre voyage Au lieu où sont pendus vos aînes. Jouez des jambes et bilez, Avant de tomber malades. Prenez garde d’être êtreints Par la patte du bourreau. Cachez à la ruse. Tout ce que vous aurez gagne, Pour déjoner la pillerie Des sergents et de leurs associés. Défaites-vous de Berard, si vous pouvez. Si vous vous laissez prendre avec votre butin, Vous ne verrez bientôt plus la terre, Grâce à la patte du bourreau. Surpris à la maraude, Dites leur: trut! sans plus songer, Du bien vous verrez, embrochés au gibet, Vos peaux blanchir et se dégraisser. Gagnez le Cieu de réunion, sans plus tarder Ballade II in dieventaal Trompeurs trompant en tromperie, Regardez bien où vous tromperez, Que la prison ne fasse finir votre voyage Au lieu ou sont pendus vos aînes. fouez des jambes et bilez, Avant de tomber malades. Prenez garde d'être êtreints Par la patte du bourreau. Cachez à la ruse Tout ce que vous aurez gagné, Pour déjouer la pillerie Des sergents et de leurs associés. Défaites-vous de Berard, si vous pouvez. Si vous vous laissez prendre avec votre butin, Vous ne verrez bientôt plus la terre, Grace à la patte du bourreau. Surpris à la maraude, Dites leur: trut! sans plus songer, Ou bien vous verrez, embrochés au gibet, Vos peaux blanchir et se dégraisser. Gagnez le Cieu de réunion, sans plus tarder Avant de tomber malade, Et portez ailleurs votre siège, Dans la crainte du bourreau! Prince benêt, quand vous reposerez Armez-vous de couteaux, Et faites bonne garde autour de nous Dans la crainte du bourreau! Ballade V Clz 140. Bedriegers als je bedriegt Kijk dan goed uit, waar je bedriegt Opdat de gevangenis geen eind otan je reis maakt Op de pt manier waarop je voorgangers opge- hangen zijn. Ren hard en pakje weg Voordat je ziek word. Pas op, dat je niet gepakt wordt. Door de Klamoen van den Deul! Verberg met sluwheid. Alles wat je verworven hebt, Om te verhinderen, dat je gephindert wordt Door de politie en haar helpers. Als je kunt, bevrijdt je dan van der valsen broeder. Als je je laat grijpen met je buit, Zul je gamo de darde nooit meer zien Dank zij de Klauwey van den beul. Als je verrast word bij’t roven Geef hen een mep, zonder er langever na te denken, Of je zult weldra, als je aan de galg hangt Je kind zien bleken en vermageren. Vlucht naar de plaats van samakomst, zouder langer te dralen, Voor dat je ziek wordt En ga ergens anders je tenten opstaan Uit angst voor den Ceul! Prins, als je uitrust Wapenje dan met een mes, En kijkgoed om je heen de monde Uitangst voor den Beul. Villon Chz 140 Ballade VI in dieventaal vertaald door P. d'Alheim. Compagnons de plaisir, Exiger toujours de l'argent pour du billon, Et Frappez dans la Catterie Sur les beaux seigneurs bas assis. Prenez cinq ou six pourses, Et gardez vous de la justice. Qui donne le Frisson aux coquillards En leur faisant faire la moue. Défendez votre visage de toute atteinte, Pour qu'il n'en arrive pis à vos corps, Et que vous n'alliez pas pour la torture Vous asseoir dans la prison. Prenez l'argent, laisses le billon, Et jeter la main dans les bourses Car la pesace vide Fait aux coquillards faire la moue. Semez la mauvaise orge Par-ci, par là, tout pour le pain! 1e N'épargnez pas la jonchée Des angelots, sur la terre où vous vivez, Soyez assez hardis Pour gaspitter le mauvais grain, Mais rappelez vous bien Qu'on ne doit pas vous faire faire la moue. Prince, je dis à ceux qui n'ont pas le talent De se tirer d'affaire par la parole: Danger d'être pris dans la batterie Fait aux coquillards faire la moue. Bla 141-142. Ballade VI Broeders! Vorder altijd wisselgeld En sla altijd bij rechtpartijen De Heeren van Lager rang Neem vijf of ses geldbeursen, En pas op voor de justitie. Die schurken doet rillen zijn onter gegen te Door hen gezichten laten trekken verdedig je gesicht tegen elke aamal, Dat er niets ergers met je lichaam gebeurt, En dat je niet in de gevangenis komt te zitten Om je te kwellen. Neem het geld, laat de minten, En steek je handen in de geldbuidels. Want een leege zak Maakt, dat de roovers ontevreden worden. Zaai Het slechte Koren, Hier en daar voor brood! Spaar niet met overal geld te strooien In de streek, waar je leeft, Wees stoutmoudig. Om het slechte graan overal te verspreiden, Maar denk er steeds aan Dat men u geen ontevreden gezicht laat trekken. Prins, ik zeg aan neu, die geen talent hebben Om zich door praten te redden: Het gevaar om gegrepen te worden bij eln rechtpartij Maakt, dat de dieren onterreden wozden. Bij l. Fl. d. Mal bez. III Uit: Les Fleurs v. Ch. Bandek De zeven oud Kricelende stad Waar spoken. ugers. ampen! De raadselen Door de rechte Maar op een De Muizenrijen En toen een: te Volgde ik de Terwijl ik m' En een gespren vuell mes vrijn avec une voix moe was Plotselipg verscheen er een ende man, diens geele Compen de Kleur van de regenachtige hemel schenen na te booken En diens aansien de armen had doen milen Als niet de boosaardigheid uit zijn ogen ge- schitterd had. Uit: Les Fleurs du Mal v. Ch. Bandelaire. (blz. 111) De zeven oudjes krivelende stad, stad vol van dromen, Waar spoken midden op de dag de worbijgangers aanklampen. De raadselen stromen er door als de kracht Door de rechte Kanalen van een machtige Haus. Maar op een ochtend, toen in de trieste straat die de mist Leek nogerte maken De huizenrijen de twee oevers van een aan- wassende rivier leken. en geele En toen een vuile mist alles overstroomde Volgde itz de wegen, die sch udden van de zware Karren Terwijl ik m'n zemmen spande als een held En een gesprek hield met mijn zich die toch al moe was Plotselipg verscheen er een oude man, diens geele Compen de Kleur van de regenachtige hemel schenen na te booken En diens aancien de armen had doen milen Als niet de boosaardigheid uit zijn ogen ge- schitterd had. Meu kon zeggen, dat zijn blik oog in gal zwom; De Zijn blik maakte de Kou nog stekender, En zijn lange baard, puntig als een degen Leek op die van Judas. Hij was niet grom, maar gebroken. zijn ruggegraat die een volkomen rechte hoek met zijn beenen maakte, Even goed als zijn stok werkten meede, van Om hein het uit erlijk en de 3 u gang Comp. te doen voorkomen Om hem lomp te doen lijken. als een zickelijke vierweter of een jood op 3 beenen In de meeino en de modder raakte hij verward Alsof wij dooden vertrapte onder zijn sloffen. Hij was te allen eerder vijandelijk dan onverschillig Zijn evenbeeld volgde hem: baard, oog, rug, stok, vodden. Geeu trek was er anders, vant de zelfde helkomen. Deze hondertjarige tweelingh dite oude spooken Liepen in de zelfde pas naar een onbekend doel. Van wat voor geraffineerd complot was its het st acht offer? Of welkvreed toeval deed me so vernederen? Want ik telde zeven keer, van minuit tot nimmt Deze sinistere oude die zich vermenigündigde! Dat hij, die om nijn onrust lacht roederlijke gewelens heeft. En die geen vader Er om denkt dat niettegenstaande hun afgeleefd heiß Deze zeven gruwelijke monsters toch iets eeuwigs hadden! Had ik zonder te sterven den achtsten gezien, Een onverbiddelijk evenbeeld, vonisch en noedlottig Dat had vader en zoon van je zelf, dat had zelfs phoenix doen walgen. Maar ik draaide de Nelsche stoet den rug toe. Verbitterd als een dronkaard, die dubbel siet Ging ik naar huis en sloot mijn deur ontzet ziek en verkleumd, de geest koortsig en wazig Gekwekt door het geheimzinnige en droaze vrychteloos Nutteloos wilde mijn verstand het stuur te pakken Krygen De storm verijdelde speelend zijn inspanningen En mijn ziel dans de, dansde, de oude schuit zonder masten op een geweldige zee zonder olvers. is 3 soe Bij Les Fl. d. Mal Cla III Bij: Les Fld. Mal blz III huisants comme ces trous où l'eau doit dans la nuit Ils ont les yeux divins de la petite fille Qui s'étonne et qui rit à tout ce qui reluit Avez-vous observé que mains cercueils de vieilles Sont presque aussi petits que celui d'un enfant? La mort savante met dans ces bières pareilles Un synbole d'un goût bisarre et captivant. Et lorsque je entrevois un faut ôme débile Traversant de Paris le fourmillant tableau, Il me semble toujours que cet être fragile S'en va doucement vers un nouveau berceau, A moins que, méditant sur la géométrie Je ne cherche, à l'aspect de ces membres discords, combien de fois il faut que l'ouvrier varie La forme de la boîte où l'on met tous ces corps. les yeux sont des puits faits d'un million de larmes, Des creusets qu’un métal refroidi pailleta..... Les yeux mistérieux ont d'invincibles charmes Pour celui que l'austère infortune allaita! 541 blz 116 Uit Les Fleurd du Mal Les Aveugles. Contemple-les, mon âme; ils sont vraiment affreut Pareis eux mannequins, vaguement ridicules, Terribles, singuliers comme les sonnambules, Dardant on ne sait où leurs globes ténébreux. Leurs yeux et ou la divine étincelle est partie, Comme s'ils regardaient au loin, restent levés Au ciel; on ne les voit jamais vers les pavés. Peucher révensement leur tête appesantie. Ils traversent ainsi le noir illimité, Ce Frère du silence éternel. O,cité! Pendant qu'autour de nous tu chantes, ris et bengles. Eprise du plaisir jusqu’à l’atrocité Vois, je me traîne aussi! mais plus qu'eux hebéte Je dis: Que cherchent-ils au Ciel, tous ces aveugles? en Nevermore v. Paul Verlaine uit Pöèmes Saturniens. Souvenir, souvenir, que me veux-tu? L'automne Faisait voler la grève à travers l'air atone, Et le soleil dardait un rayon monotone Sur le bois jaunissant où la bix détone. Nous étions seul à seule et marchions en revant Elle et moi, les cheveux et la pensée au vent. Soudain, tournant vers moison regard émouvant: "Quel fut ton plus beau jour?" fit sa voir d'oz vivant Sa voix douce et sonore, au frais timbre angelique. Un sourire discret lui donna la réplique, Et je baisai sa main blanche, dérotement. -Ah! les premières fleurs, qu'elles sont partumées! Et qu'il bruit avec un murmure charmant Le premier"Oui" qui sort de lèvres bien-aimées. Mon Rêve Familier v. P. Verlaine uit Poèmes saturniemt Je fais souvent ce rêve étrange et pénétrant D'une femme inconnue, et que j'ai me et qui m'aime, Et qui n'est chaque fois ni tout à fait la même Ni tout à fait une autre, et m'aime et me comprend. Car elle me comprend, et mon coeur, transport Pour elle seule, hélas! cesse d'être une problème Pour elle seule, et les moiteurs de mon front d'ême, Elle seule les sait rafraichir, en pleurant. Est-elle prime, blonde ou rousse?- Je l'ignore. Son nom? Je me souviens qu'il est doux et sonore Comme ceux des aimés que la Vie exila. Son regard est pareil au regard des statues, Et pour sa voix, lointaine, et calme, et grave, elle a L'inflection des voir chères qui se sont tues. P. Verlaine uit P.Saturnens. Chanson d'automne. Les sanglots longs Des violons De l’automne Blessent mon coeur D’une languer Monotone. Toute suffocant Et bleine, quand Sonne Cheure, Je me souviens Des jours anciens. Et je pleure. Et je m'en vais Au vent mauvais. Qui m'emporte Deça, dela Pareil à la Feulle morte. P. Verlame Femme et Chatte Elle jouait avec sa chatte, Et c'était merveille de voir La main blanche et la blanche patte S'ébattre dans l'ombre du soir. Elle cachait- la scétérate!— Sous ses mitaines de fil noir. Ses meurtriers ongles d'agate, Coupants et clairs comme un rasoir. L'autre aussi faisait la sucree. Et rentrait sa griffe acérée, Mais le diable n'y perdait rien.... Et dans le boudoir où, sonore, Tintait son rire aerien Brillaient quatre points de phosphore. Pantonnime Pierrot, qui n'a rien d'un Clitandre, Vide un flacon sans plus attendre, Et, pratiqué, entame un pâté. Cassandre, au fond de l'avenue, Verse une tarme méconnue Sur son neveu déshérité. Ce Faquin d'Arlequin combine L'enlèvement de Colombine Et pirouette quatre fois. P. Verlaine Colombine rêve surprise De sentir un coeur dans la brise Et d'entendre en son coeur des voix. P. Verlaine. uit Fêtes Galantes Cortège Un singe en veste de brocart Trotte et gampade devant elle Qui froisse un mouchoir de dentelle. Dans sa main gantée avec art, Tandis qu'un négrillon tout rouge Maintient à tour de bras les paris De sa lourde robe s en suspens, Attentif à tout pli qui bouge; Le singe ne perd pas des yeux La sorge blanche de la dome, Opulent tresor que réclame La torise où de l'un des dieux; Le négrillon parfois soulève, Plus haut qu'il ne faut, l'aigrefin, Son Fardeau somtueux, afin De voir ce dont la nuit il rêve; Elle va par les escaliers, Et ne paraît pas davantage Sensible à l'insolent suffrage. De ses animiaux familiers. P. Verlaine Colompine. Leandre le sot, Pierrot qui d'un sant De puce Franchit le buisson, Cassandre sous son capuce, Arlequin aussi, Cet aigrefil si Fantastique. Aux costumes fous Ses yeux luisants sous Son masque, Do, mi, sol, mj, Fa, Tout ce monde va, Rit, chante Et danse devant Une belle enfant Méchante Dont les yeux pervers Comme les yeux verts Des chattes Gardent ses appas Et disent:"A bas Les pattes. Eux, ils vont toujours! Fatidique cours. Des astres, Oh! dis-moi vers quels Mornes ou cruels Desastres L'implacable enfant, Preste et relevant Ses jupes, La rose au chapeau, Conduit son troupeau De dupes, P. Verlaine. En Sourdine. Calmes dans le demi-jour Que les branches hautes font Pénétrons bien notre amour De ce silence profont. Fondous nos âmes, nos coeurs Et nos sens extasiés, Parmi les vageres langueurs Des puis et des arbousiers. Ferme tes yeux à demi, Croise tes bras sur ton sein. Et de ton coeur endormi Chasse à jamais tout dessein Laissons-nous persuader au souffle berceur et doux Qui vient à tes pieds rider Les oudes de gazon roux. Et quand, solennel, le soir Des chênes noirs tombera, Voir de notre désespoir. Le rossignol chantera. La Bonne Chanson P. Verlaine Avant que tu ne t'en ailles, Pâle étoile du matin, Mille cailles Chantent, chantent dans le thym.- Tourne devers le poète. Dont les yeux sont pleins d'amour: L'alouette Monte au ciel avec le jour. Tourne ton regard que noie L'aurore dans son azur; Quelle joie Parmi les champs de blé mur! Puis fais cuire non pensée Là-bas,- bien loin, oh, bieu loin! La rosée Gaîment brille sur le foin.- Dans le doux rêve où s’agite Ma mie endormie encor.... Vite, vite Car voici le soleil de or. La lune blanche. Luit dans les bois, De chaque branche. Part une voix Sous la ramée..... O bien année. L’étang reflete Profond miroir, La sithonette Du saule noir: Où le vent pleure... Rêvons: c'est l'heure. Un vaste et tendre. Apaisement Semble descendre Du firmament, Ane l’astre irise C’est l’heure exquise. P. Verlaine Le Pitre Le tréteau qu'un orchestre emphatique secoue Grince sous les grands pieds du maigre baladin, Qui harangue, non sans finesse et sans dédain, Les badands piétinant devant lui dans la boue. Le plâtre de son front et le fard de sa joue font merveille. Il pérore et se tait tout soudain, Reçoit des coups de pieds au derrière, badin, Baise au cou sa commère énorme et fait la roue. Ses homments, de coeur et d’âme approuvons les Son court pourpoint de toile à fleurs et ses mollets Tourmants jusqu'à l'abus valent que l'on s' arrête. Mais ce qu'il sied à tous d'admirer, c'est surtout Cette perruque d'où se dresse sur la tête, Preste une quene avec un papillon au bout. Schlussstück Der Tod ist groß Wir sind die Seinen! Lachenden Munds. Wenn wir uns mitten im Lehen meinen, wagt er zu weinen, mitten in uns. R.M. Rilke. Das Buch der Bilder Ach, wat weet jij nu na van toen. Lach jij maar, jij bent twee Jk ben een alleen. Fÿ. jy ach jÿ Kindje, Droom van mij Ga jij maar, Ga met haar Ik ben een. alleen. 23. Sept.'45 Ter herinnering aan 23 Sept. 1942 Aan Floris Laat slapen onze kleine Mei- Stil, wek Haar niet! Laat rusten al wat lang verging. wees stil, verdriet! Ik, wil niet zuchten wijl voorbij is nu. ons Klein geluk. Ik wil niet wenen, wekken zou haar elke wek. Hier ligt begraven Onze kleine Mei-en toch Terwijl ik mijmer over haar en treur. Nuglimlach+ zij. Hier bloeiden bloemen eens In onzen Mei: Terwijl ik dent aan lang vervlogen gew, Glimlacht de Kleine Mei De weg, die wij 20 samen zijn gegaan Was veel te kort. Al was hij altejd steil Met distels aan de Kant. Ik wil nog eens met jou 20 samen gaan, 20 maar samen- gaan Jouw hand is warmer dan de hand Die ik nu pas begraven heb. Jouw hand is harder dan de hand, Die ligt begraven ouder’t sand.... Jouw 8tem blijft klinken Zijn Stein wijgt, Toch hoor ik veel nog wat hy sei. gou hoor ik niet al spreek je nog; Het is voorhy. 10108 ons op moeten beuren, want de wereld daarbuiten is niet so best en doet verwachten, dat de oorlog nog niet 20 spoedig over sal zijn. De laatste maand zit ik wat in augst om jullie omdat je schreef, dat je verder moest trekken, als het konder werd. Ook laat Floris al sinds haast een maand niets van zich horren, dat alles maakt me angettig. Ik hoop maar, dat toch alles goed is bij jullie en dat je daar mag blijven. Bij ons was gisteravond ter eere van de Paterdagavoud de kachel aan en dat was een waar genot. Anders is het al 20 erg kond! Ook jullie zullen wel erg geschokt geweest zijn door Leo Fr. Wie had dat kunnen denken. Hy leck so schuchter en swak! Daar zie je weer eens, hoe je op moet passen met je oordeelen over een ander. Dat er 20 prachtige mensen naast je leefden en je hebt ze nauwelijks opgemerkt. Wat een prachtkerel, trouwens al die jongens! Wat een belache lijke rol spelen we toch, mij had even goed zijn kop in't zand kunnen steken.’t Is verschrikkelijk, dat die meusen niet konden worden behouden!— Minni is nu blijkbaar ook weg. Piet kreeg blijkbaar een af- scheidsbrief, maar was 20 baug, dat hij hem niet een uit las en met een verbrandde. Zodoende weet ik alleen door mijn Mevrouw, dat Piet 20 iets als een afscheidshrief had ontvangen. Ik Koop, dat von Minni alles goed doorstaat. Zij is wel Plinte, maar wie zegt, dat niet de sterken evengoed er aan gaan? Nee 20 rooskleurig als jullie dit willen zien, zie ik deze zaak niet. Erik had er altijd een griezelig woord voor, ik zal’t maar ook bij. niet herhalen. Hij is er nu toch Votre Zondag 17 October'43. De Schalinei J. Slauerhoff zeven zonen had Moeder: Allen heetten Peter, Behalve Wankja die Iwan heette. Allen Konden werken: Eén was geitenhoeder, Eén vlocht sandalen, Eén zelfs bouwde Kerken, Maar Iwan die Wankja heette wilde niet werken. Op een steen in de zon gezeten Bespeelde hij zijn schalmei. „ O. mijn lieve, Mijn lustige, Laat mij spelen. In de schaduw van mijn Korte rustige vallei. Laat anderen werken, Sandalen maken o- kerken. Wankja heeft genoeg aan zijn schalmei voud Lieve Moeder, bovenstaand gedichtje 20 vrolijk en luchtig, dat het nie leek, dat jij er ook pleaier in heb. 200 ben. De literatuur en de brieven zijn nu die dingen, die 2: elf bespiegelingen van Keizer MANCUS AURELIUS ANIONINUS Geb. 121- Gest. 180 2e boek 14. Al zoudt ge drieduizend jaar leven of evenveel malen tienduizend, wees niettemin indachtig dat niemand een ander leven kan verliezen dan jnist dat wat hij leeft, noch een ander leven kan leven dan dat wat hij moet verliezen. Het langste en het kortste leven komen dus op het. selfde neer. Want het Heden is voor allen even lang, hoe ongelijk van duur ook het verleden eijn moge. En 20 blykt dan wat men bij de dood verliest stechts een kort ogenblik. Niemand toch kan het verleden noch de toekomst verliezen, want wie sou iemand iets kunnen ontnemen dat hij niet bezit? Deze twee dingen nri moet men wel bedenken; ten eerste: dat alle dingen van eenwigheid her zich bewegen in een ou- veranderlijke kringloop en dat het geen verschil maakt of iemand iets honderd of twee- honderd jaar of een eindeloze tijd lang waar- neemt. Ten tweede: dat sowel wie seer bejaard als wie seer jong sterven, hetzelfde vernezen Want het. Heden is het enige dat men verliezen kan, omdat het't enige is dat meu bezit en men wat men niet bezit ook niet kan verliezen. 4e boek 31. Houdt van de Kunst die gij geleerd hebt, hoe cen- voudig se ook zij en blijf haar trouw. Breng de rest van Uw leven door als iemand, die al wa hem betreft van ganser harte aan de goden heeft toevertrouwd en maak uzelf nach tot tyran noch tot slaat van wien ook. boek 30. Bedenk voortdurend, dat alle dingen door ver- andering ontstaan en tracht aldus te weunen aan de gedachte dat de A-Natuur niets soseer verlangt als het bestaande te veranderen cu er iets nieuws, gelijksoortigs uit te maken. Waut al wat is, is in sekere sin het zaad van wat er uit voort moet komen. Gij beschouwt alleen als za ad wat in de aarde of in de moederschoot wordt uitgestrood, doch dit is een seer opper- vlakkige opratting. Zesde boek Bij het gijnnasticeren schramt iemand ons wel 20. eens met een nagel of komt met ons in botoing en besorgt ons een buil aan het hoofd. Wij ge- ven dan echter geen teken van afkeuring, wij zijn niet beledigd en beschouwen hem niet voortaan als een belager. Toch zijn we voor hem op onze hoede; niet als tegenover een vyand of uit achterdochtigheid, wy gaan hem alleen maa kahn uit de weg. Handel dan ook in andere levensouwstandigheden op dergelijke wijze. Laten we veel door de vingers zien bij heu die als het ware met ons samen gymnasticeren. Want he staat in onze macht, zoals ik reeds zeide, heu zonder argwaan of haat uit de weg te gaan. 39 Pas u aan bij de omstandigheden die uw lot u beschoren heeft en wees liefderijk jegens de meusen met wie het tot u heeft samenge bracht; maar wees het waarachtiglijk. Wen u aan namokeurig te letten op wat 53.XIW anderen zeggen en u so goed mogelijk in hun 2iel te verplaatsen. Sevende Boek 22. Het is een keumerk van den mens, ook hen die hein kwaad doen te kunnen lief hebben. Ook gij zult daartoe in staat zijn, wanneer ge slechts bedenkt, dat die boosdoeners u verwant zijn, dat zij onwetens en omollens zondigen; dat zij so- wel als gijzelf binnenkort gestorven zullen zijn, en bovenal dat zij u eigentijk in het geheel niet hebben gedeerd. Want uw innerlijken gids hebben zij niet slechter gemaakt dan hij tevoren was. 65 Hoedé u arvooz, dat ge niet jegens on-meusen het zelfde voelt als zij jegens mensen. 69 Het is een teken van sedelijke volmaaktheid iedere dag door te brengen als ware hij de laatste zonder opreinding, zonder verstapping, zouder aanstellerij. Achtste boek. 2. Vraag u zelf bij iedere daad af: wat betekent zy voor mij? 2 als ik er geen berouw van hebben? Nog maar een poosje en ik ben dood en alles is voorbij. 32 Wat son ik nog meer soeken, als mijn tegenwoordig gedrag dat is van een denkend cu sociaal wezen, levend met God onder cênzelfde wet? Bedenk dat ge even vrij zijt wanneer ge nit eigen beweging van mening verandert als wanneer ge- leistert naar wie u tot beter inzicht breugt. In beide gevallen toch volgt uw activiteit uw eigen aandrang en oordeel en is zij dus inderdaad in overeeustemming met uw rede. Gij moet uw leven ophouwen uit op zichzelf staande daden en als elk van die daden voor zover moge lijk haar eigen doel bereikt, kunt ge tevreden zijn. En geen meus is bij machte dit uw daden te belet ten.—"Maar er kan toch iets van buiten af in de weg komen.— Toch zeker niets, wat u zou beletten rechtvaardig, besadigd en redelijk te handelen.—„Maar“ mijn activiteit kon misschien op andere wijze belemmerd worden.— Best, maar door in de belemmering te berusten en u er, na rijp beraad, toe te bepalen unpogingen te richten op wat wel kan, ziet ge u al spoedig tegenover een nieuw object voor imo aktiviteit ge- plaatst, dat sich beter zal wegen in de optoome waarvan sprake was. des Tracht tot ieders innerlijken gids door te dringe 61 maar geef ook ieder toegang tot den moen. Elfde Bock Veracht iemand mij? Dat is zijn saak. Maar mijn 13. zaak is het dat men mij nooit betrappe op daden of woorden die verachting verdienen. Haat ie- mand mij? Dat is zijn saak. Ik echter wil liefde- vol en welwillend sijn jegens alle mensen en ten opzichte van dien hater in het bijzonder be- reid hem op zijn dwaling te wijzen- niet ver- wijtend en ook niet met vertoon van edelmoedigheid, maar eenvoudig en precht....... Geen voortvertaan der ziel leven onbelangrijk. Oubewogen blijken. 20 goed mogelijk voor anderen. Streng voor zichzelf 2esde boek. Bij het gijnnasticeren schramt iemand ons wel- 20. eens met een nagel of komt met ons in botning en besorgt ons een buit aan het hoofd. Wij ge- ven dan echter geen teken van afkeuring, wij zijn niet beledigd en beschouwen hem niet voortaan als een belager. Toch zijn we voor hem op onze hoede; niet als tegenover een vijand of uit achterdochtigheid, wij gaan hem alleen maar kahn, uit de weg. Handel dan ook in andere Levensomstandigheden op dergelijke wijze. Laten we veel door de viegers zien bij hen die als het ware met ons samen gymnasticeren. Want het staat in onze macht, zoals ik reeds zeide, hen zonder argwaan of haat uit de weg te gaan. 39 Pas u aan bij de omstandigheden die en lot u beschoren heeft en wees liefderijk jegens de meusen met wie het tot u heeft samenge- bracht; maar wees het waarachtiglijk. Wen u aan namokewig te letten op wat 53.10. anderen zeggen en u so goed mogelijk in hun ziel te verplaatsen. Sevende Boek. 22 Het is een kenmerk van den mens, ook hen die hen kwaad doen te kunnen lief hebben. Ook gij zult daartoe in staat zijn, wanneer ge slechts be- denkt, dat die boosdoeders u verwant zijn, dat zij onwetens en omollens zondigen; dat zij so- wel als gijzelf binnenkort gestorven sullen zijn en bovenal dat zij u eigentijk in het geheel niet hebben gedeerd. Want uw innerlijken gids heb- ben zij niet slechter gemaakt dan hij tevoreu was. 65 Hoedt u ervooz, dat ge niet jegens ou-meusen het zelfde voelt als zij jegens mensen. 69 Het is een teken van zedelijke volmaaktheid iedere dag door te brengen als ware hij de laatste, zonder opwinding, zonder verstanging, zouder aanstellerij. Achtste boek. 2 Vraag u zelf bij iedere daad af: wat betekent sij voor mij? 2 als ik er geen berouw van hebben? Noque maar een poosje en ik ben dood en alles is voorbij- II'sppoy Dante, äffte S. D. 1 Sie diese re de la wegen werden. Ce dernier Sr. de la Ce qui se porte les Sie diese wurde ich schon nung des S. D. 2. I 4. Ce qui est vous avez werde ich Sr. Vom k.t. Sie eine schöne Sie diese re weil des a- nung des 1.3. S. C. R. P. Ce qui est toutes les autres S. D. Sie diese 6 e geb. ce 1. (1) Märkkelt. de la S. R. 8 DATES DES ACTES 8 e Cesoirs ses nicht schöne, wieder ein Kindlicher StaatsSchlusser de lire Deutliches 11.3. de la Monsieur in der Sie diese Von seiner schreibung Cʼest le 8 wegen des R. P. Witsen Ce qui se sont S. W. Ce qui est daß man der alles Sache nicht seyn, Obligkeiten können wieder dans le dernier Ce qui est „K.R.„ in der wieder sein. S. R. I. S. 11. S. A. M. Mevius. nicht alles gehört weil er k. k. a. de ses de la Ce nouvelle des Ce qui se porte les 1.° 2. de la fois de la Ce nouvelle lis- schl. May 1. ne sais Ses nicht alles gehört 4. [incompréhensible] 8 S. R. hier 8 h S. R.