HERDENKINGHUGO SIZHEINER Amsterdam, november 1983 HF HEEEAING HUGO SITZHEIME: Inleidingen van A.J. Hoekema, T. van Peijpe en D. Kettler gehouden tijdens de herdenkingsplechtigheid op 7 november 1983 ter ere van het feit dat Hugo Sinzheimer 50 jaar geleden aan de Universiteit van Amsterdam het ambt van bijzonder hoogleraar in de rechtssociologie aanvaardde. Uitgave vakgroep rechtssociologie van de juridische fakulteit van de Universiteit van Amsterdam Inhoudsopgave -A.J. Hoekema, Hugo Sinzheimer en de rechtssociologie -T. van Peijpe, Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbeidsrecht -D. Kettler, Hugo Sinzheimer: The Enterprise and the Organisation of Resistance -Bibliografie Hugo Sinzheimer DrUK: CONTS. OTOEkerI URNEFSTEI veN ATTENFSEm[T. 8839 pagina 36 Over de auteurs. -A.J. Hoekema is hoogleraar bij de vakgroep rechtssociologie van de Fakulteit der Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. -D. Kettler is hoogleraar aan de Trent University te Peterborough in Ontario, Canada. Momenteel is hij werkzaem op hetN.I.A.S. te Wassenaar en doet hij onderzoek naar de arbeidswetgeving in Duitsland en de Verenigde Staten in de periode 1912-1937. Zijn inleiding"The Enterprise and the Organisation of Resistance" verscheen inmiddels in: NNR(Nieuwsbrief voor nederlandstalige rechtssociologen, rechtsantropologen en rechtspsychologen), nr. 1'84, p. 85-98. -T. van Peijpe is wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep arbeidsrecht van de Fakulteit der Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn inleiding"Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbeidsrecht" is inmiddels gepubliceerd in: Recht en Kritiek, jrg. 10 nr. 1(1984), p. 7-33. Hugo Sinzheimer en de rechtssociologie A.J. Hoekema Omdat in mijn leeropdracht de rechtssociologie is vermeld ben ik blij op deze bijeenkomst enkele opmerkingen te mogen maken over Hugo Sinzheimer, in het bijzonder over zijn betekenis voor de rechtssociologie. Hij schreef het eerste nederlandstalige werk dat een inleiding in de rechtssociologie genoemd kan worden:"De Taak der Rechtssociologie", uitgegeven door H.D. Tjeenk Willink, Haarlem in 1935'. Daarvoor en kort daarna hield hij twee rechtssociologische oraties."Das Problem des Menschen in Recht"", 50 jaar geleden, op 6 november 1932 hier in Amsterdam, bij zijn aanvaarding van een bijzondere leerstoel in de rechtssociologie?. En"De Achtergrond van het Arbeidsrecht", op 14 februari 1936 te Leiden, waar hij tevens benoemd was, ditmaal met als leeropdracht: rechtssociologie van het arbeidsrecht, zoals hij het in die rede zelf noemde. Ik wil in dit verband op drie thema's kort ingaan: 1. De kringen waarin Sinzheimer verkeerde, 2. zijn kombinering van arbeidsrecht en rechtssociologie, 3. zijn bijdrage aan de rechtssociologie. Dat Sinzheimer hier heeft kunnen komen en heft kunnen werken, al was dit dan achteraf gesproken voor slechts 7 jaren, is op zichzelf een bijzonder belangrijk feit, een herdenking meer dan waard. Ik heb mij niet verdiept in de omstandigheden die dit plan hebben doen lukken in een tijd dat de Nederlandse overheid zich jegens vluchtelingen uit Duitsland niet altijd van zijn fraaiste kant heeft laten zien. George van den Bergh, de latere hoogleraar staatsrecht aan onze fakulteit, kamerlid en lid van de gemeenteraad Amsterdam, wordt door Sinzheimer in zijn Amsterdamse oratie expliciet bedankt voor wat deze voor hem deed(. J. Valkhoff, toen repetitor aan onze fakulteit en in 1945 benoemd tot hoogleraar in de inleiding in de rechts- wetenschap aan de ekonomische fakulteit, heeft zich eveneens sterk ingezet voor Sinzheimers komst. Mevrouw Sinzheimer bedankt hem en anderen daarvoor in het voorwoord van het postuum uitgegeven en door Van den Bergh en Valkhoff tezamen verzorgde geschrift "Theorie der Gesetzgebung". Deze publikatie werd in 1948 ook door H.D. Tjeenk Willink, Haarlem uitgegeven. Een verdere indikatie voor het milieu waarin Sinzheimer werd opgevangen is nog te vinden in de lijst van auteurs in een bundel die in 1938 bij de Arbeiderspers verscheen ter herdenking van de 60ste verjaardag van Sam de Wolff. De intellektuele top van de toenmalige sociaaldemokraten vinden wij daar bijeen. Daaronder W.A. Bonger, wiens naam in een woord over de tijd van de jaren'30 niet mag ontbreken. Daarbij denk ik onder andere aan zijn boek Ras en Misdaad uit 1939, waarin de nazi-ideologie heftig bestreden wordt'. Voorts J. Valkhoff en de nog altijd werkzame J. Tinbergen- De geest die in deze en dergelijke kringen heerste komt goed tot uiting in de nu wat gedwongen klinkende titel van de bundel van Sam de Wolff:"Strijdenskracht door Wetensmacht". Ik hoor daarin een wanhopig vasthouden aan de kracht van de geest-dialektisch verstaan- ten opzichte van de krachten van uitbuiting, chaos en tyrannie. Ik noem ook nog M.G. Levenbach, samen met wie Sinzheimer en vele anderen lid was van een informele kring van beoefenaren van het arbeidsrecht, een kring die na de oorlogmeer geformaliseerd is geworden. Al langere tijd participeerde Sinzheimer in een internationaal gezelschap, het"Institut International de Philosophie du Droit et de Sociologie Juridique", waaruit Sinzheimer, tijdens het eerste kongres in 1933 over"Les Sources du Droit Positif", gekozen werd als één der vice-presidenten naast o.a. Del Vecchio uit Rome, Kelsen(toen in Genéve werkend) en met als"secrétaire générale" en, lijkt mij, bezielende kracht achter het"Institut":Georges Gurvitch. Sinds 1931 geeft het"Institut"(lees Gurvitch) de"Archives de Philosophie du Droit et de Sociologie Juridique" uit. Direkt in het eerste nummer verschijnt Sinzheimers naam in de lijst van "collaborateurs" afkomstig uit l'Etranger. Hij wordt"Professeur à l'Université de Francfort" genoemd en staat temidden van namen als Pound, Radbruch, Laski, Kantorowicz, Krabbe uit Leiden, en een keur van Franse rechtsgeleerden. De"Archives' zijn tot en met 1940 verschenen en Sinzheimer heeft er, op één klein artikel na(waarop ik nog terug zal komen), nooit iets in geschreven. De"Archives" zeggen echter wel iets over Sinzheimer. Staat hij in de jaargang 1933, nr. 1 plus 2 nog als"Professeur à l'Université de Francfort" genoemd, in 1933 nr. 3 plus L staat hij genoemd als"Professeur à l'Université d'Amsterdam". Nuchterder en tevens ontroerender kan zijn gang in ballingschap niet betrapt worden. Als konstruktie voor het bijzondere hoogleraarschap werd opgericht een"Stichting tot Bevordering der Studie van het Arbeidsrecht en de Rechtssociologie in Nederland". Daarmee stuiten wij op een tweed- punt dat ik wil onderstrepen. Een kombinatie van deze twee disciplines heeft het in zich bijzonder vruchtbaar te zijn. De centrale plaats van arbeid voor de ontwikke- ling van de mensen, en de centrale plaats van het arbeidsbestel in de ekonomische orde, een orde die op zich in zo'n hoge mate de aard en ontwikkeling van samenleving en recht bepaalt, maakt een samenwerkingsverband van beoefenaren van het arbeidsrecht en van de rechtssociologie bijzonder veelbelovend. Sinzheimer wilde gaan werken aan een rechtssociologie van het arbeidsrecht, zoals zi jn Leidse opdracht luidde, maar heeft daaraan onvermijdelijk weinig kunnen doen. Sindsdien is de rechtssociologie van het arbeidsrecht geheel en al verdwenen. Het is dan ook een heel aangenaam feit dat sinds oktober 1982 tussen de vakgroepen arbeidsrecht en rechtssociologie van de Uvå en VU een samenwerkingsverband is gesticht dat heeft geresulteerd in een breed onderzoeksvoorstel, waarvan financiering door ZWO en mogelijk ook door anderen nog niet zeker maar wel waarschijnliik is. Kern van het voorstel vormt een onderzoek naar het funktioneren van de Gewesteliike Arbeidsbureau's in het Nederlandse bestel van ontslagrecht en ontslagbescherming, waarbij vergeleken zal worden met onder andere de afwijkende stelsels in West-Duitsland en Groot Brittannié1. Rond dit samenwerkingsverband -3 groeperen zich ook nog andere beoefenaren van het arbeidsrecht, zodat wij met enig recht kunnen hopen dat later gezegd kan worden dat in 1982, enkele generaties later, de draad uit de jaren'30 weer is opgepakt. Met dien verstande, dat wat toen het werk van enkele éénlingen was nu het werk is van velen tezamen. Een paar opmerkingen tot slot over Sinzheimers rechtssociologie zelf. Hij schreef het eerste nederlandstalige inleidende werk. Pas 36 jaar later(1971) kwam Rees Schuyt met een eveneens inleidend werk. In dat lautste boek wordt dat eerste niet genoemd of behandeld. Sinzheimers rechtssociologie is vergeten. In zi jn eigen periode, de jaren'30-'4O, heeft het om begrijpelijke tijdsredenen weinig weerklank gehad, althans geen voortzetting gevonden. En lang is hij uit de gratie geweest omdat een overmatig streng empirie- en methodebegrip binnen de(rechts) sociologie gold. Dit stilzwijgen is maar ten dele terecht. Het klopt dat hij geen gelegenheid heeft gehad tot inhoudelijke rechtssociologische studies. Zijn boek en zijn oraties zijn typisch programmatisch. En wat hij programmatisch noteerde is bij lange na niet altijd overtuigend, niet voor ons huidige denken, maar soms toch ook al niet in de kontext van de jaren'30. Hij had bijvoorbeeld met zijn boek uitdrukkeliik de bedoeling om oek methodologische problemen te bespreken. Maar op het moment dat wij bij methodologie aan zaken denken die in het handboek van A.D. de Groot voorkomen, stelt het erg teleur. Ook als wij ruimer over methodologie denken valt Sinzheimers bijdrage niet mee. Weber had al lang zijn opstellen over metho ologie geschreven en daarmee doet Sinzheimer bijna niets. In feite doet Sinzheimer ir die stukken die ingaan op bijvoorbeeld vragen van rechtsontwikkeling, zoals in de Leidse oratie over de krachten waaruit het arbeidsrecht voortkwam, zo ongeveer alles wat Ric Abel hem verbood, namelijk,"narrative history" en"functional contextualism"'!Heerlijke beschuldigingen die ik niet zal vertalen en uitleggen. Ik schrik daarvan niet zo en voel mij juist prettig gestemd dat Sinzheimer niet in de klem van een veel te streng empirie- en methodebegrip is geraakt. Daardoor wordt hij niet geremd om een rechtsbegrip te ontwikkelen dat georienteerd is op de opgave van recht, althans één daarvan, namelijk, om menselijke en vrije -4 verhoudingen te scheppen. Hij benadert dit historisch, dialektish, materialistisch, holistisch en evolutionair, een reeks vloeken voor wie meent dat het"is" en het"ought" in de wetenschap gescheiden moeten worden. Het gevolg is wel dat er grote en relevante vragen worden gesteld, en dat ongeremde theoretiseren voel ik juist als inspirerend. Een benadering, als deze, gericht op de ontwikkeling van rechtsideeen, zou bijvoorbeeld mijn eigen verhandeling over tendenties in het aansprakelijkheidsrecht sterk in waarde hebben doen toenemen. In de Amsterdamse oratie geeft Sinzheimer een evolutionaire theorie over de rechtsontwikkeling: In het burgerlijk recht wordt de vrijheid van de mens beschermd, maar in abstrakto. In het arbeidsrecht wordt het bestaan, de konkrete of materièle existentie van de mens erkend en beschermd(uit welk motief, voeg ik toe, dan later, datgene wat wij de verzorgingsstaat noemen is voortgekomen). En ten slotte, het toendertijd nog maar heel schaars aanwezige ekonomische ordeningsrecht, waarin de planloosheid en anarchie van de ekonomische orde wordt onderworpen aan een regeling die ten diepste de onmiddelijke verbondenheid van de mensen zal bevatten Alle drie de motieven, ideeen of rechtswaarden(in zijn terminologie) dienen tezamen te gaan in een mensbeeld dat aan de komende rechtsorde ten grondslag zal liggen en een hoger stadium van vermenselijking zal inhouden. Uitdrukkelijk wordt als moment van dat geheel het burgerlijke recht als belichaming van de gedachte van de individuele abstrakte zelfstandigheid vastgehouden. Overigens mag Sinzheimer dan evolutionair en idealistisch denken, hij is materialist en verzet zich onder andere tegen een Krabbe, die overal in de rechtsontwikkeling bewustzijn en, zoals hij het noemt soevereiniteit ziet werken. In de Leidse oratie, over de krachten die het arbeidsrecht hebben geformeerd, gaat Sinzheimer in op de reele ekonomische krachten en op de klassentegenstellingen, die door een idealist als Krabbe worden weggecijferd. Maar hoezeer Sinzheimer ook de nadruk legt op strijd, sociale bewegingen, macht en behoeften steeds betoogt hij dat deze maatschappelijke drijfkrachten pas hun effekt hebben indien en voorzover zij door de menselijke geest en bewustzijn worden gevormd. Hij is kortom, zoals hij zelf zegt, ideeel realist en geen naturalist. Zo is het niet verwonderlijk dat Sinzheimer relatief veel ruimte in zijn paar rechtssociologische geschriften gewijd heeft aan dit onderwerp, de verhouding van het ideêle(de geest) tot het reêle(het materiêle), en dat hij in een bijdrage aan de bundel"De Wolff" aan zijn mede-marxisten het transformatieprobleem voorhoudt, waarbij de vraag naar de rol van het bewustzijn bij de omzetting van maatschappelijke krachten in effekten op de samenleving vastgesteld wordt. Sinzheimer:"Fügt das menschliche Bewusstsein dem gesellschaftlichen Lebensprozess in dem es besteht und wirkt, Eigenes hinzu und was ist dieses Eigene"?"" Ik meen dat wat hij over het transformatieproces zegt nog steeds waarde heeft. Zo is het niet moeilijk veel van zijn beschouwingen over dit onderwerp terug te vinden in het rechtssociologische werk van Habermas. Toch klinkt het allemaal erg idealistisch, waaraan wij niet meer gewend zijn. Maar het beschrijven van de ideeen die met een bepaalde levenspraktijk verbonden zijn en het analyseren van de "rechtswaarde" van de emoties die een sociale beweging vergezellen, dat zijn taken die, als wij ze iets moderner zouden uitdrukken, velen onder ons niet zouden afwijzen. Zijn stelling dat de rechtelijke werkelijkheid moet worden opgevat als een geestelijke werkelijkheid zien wij bijvoorbeeld, zij het op specifieke wijze, weer opgenomen door het symbolisch interaktionisme. Hetgeen in mijn ogen wel een herontdekking van gewicht mag heten. En diegene die het recht wil beschouwen onder het perspektief van vals bewustzijn zal zeker door Sinzheimers analyses geinspireerd kunnen worden. En Floor Gras, medewerker in onze vakgroep, komt bij zi jn bestudering van standaartkontrakten, waarbij hij het klassieke wereldbeeld achter de juridische kontraktsdogmatiek konfronteert met de rechtelijke werkelijkheid, tot geen ander inzicht dan Sinzheimer het al stelde:"De struktuur van de wereld welke het klassieke wereldbeeld aanneemt bestaat niet meer" Kortom, als we door Sinzheimers gedragen taalgebruik heenkijken en ons niet geheel laten afleiden door de ons ingestampte eisen van -6- methodiek, systematiek en precisie, dan is er een veel grotere kontinuiteit te vinden tussen het werk van Sinzheimer en de huidige rechtssociologie, dan wij denken. Op kontinuiteit van probleemstellingen ben ik nog scherper geattendeerd door het enige artikel dat hij(in 1934) in de "Archives" heeft geschreven, waarin drie catastrofale ontwikkelingen worden geschetst: Het grote potentieel aan maatschappelijke welvaart versus de schrijnende armoede en de duistere rol van de wapenwedloop daarbij; de werkloosheid en de vraag of er ooit genoeg arbeid voor allen zal zijn, alsmede de vraag om terzake op internationale schaal maatregelen te nemen; en tenslotte op geestelijk vlak, de sterke verharding van verhoudingen en de verheerlijking van antihumane krachten' Misschien met uitzondering van het derde fenomeen, kan dit, geschreven in 1934, heden ten dage weer zo herhaald worden. Ten minste kan gezegd worden dat het stellen van dergelijke vragen een goede gewoonte is en zou moeten zijn. Ook in dit orzicht is het zeer de moeite waard op Sinzheimer terug te gaan. Noten 1. H. Sinzheimer, De Taak der Rechtssociologie, Haarlem 1935, vertaald door mw. D. Heroma Meilink. Ook in een Duitse vertaling(Hofmeister) opgenomen in: Arbeitsrecht und Rechtssoziologie, Gesammelte Aufsätze und Reden, Band 2, Frankfurt 1976, p. 85-149, onder de titel: Die Aufgabe der Rechtssoziologie. 2. H. Sinzheimer, Das Problem des Menschen in Recht, in: H. Sinzheimer, 1976, Band 2, p. 53-70. Ten onrechte is de leeropdracht in H. Sinzheimer, 1976, 3. Band 2, p. 347, genoemd, sociologie van het arbeidsrecht. h. H. Sinzheimer, De Achtergrond van het Arbeidsrecht, in: Van Sociale Politiek naar Sociaal Recht, G.M.J. Veldkamp (red.), Alphen aan den Ri 1966, p. 122-136. Afgedrukt als Der Hintergrund des Arbeitsrechts, in: H. Sinzheimer, 1976, Band 2, p. 149-163. -7 5. Dezelfde George van den Bergh die, blijkens een artikel in de juist verschenen NRC, in 1932 in de Wieringermeer een werkgroep oprichtte om jonge Joodse vluchtelingen op te vangen en een opleiding te geven. In: F. Boterman, Ondergang der Werkdorpers, in: NRC 5 november 1983. 6. Strijdenskracht door Wetensmacht, Opstellen Aangeboden aan S. de Wolff, Arbeiderspers, Amsterdam 1938. 7. W.A. Bonger, Ras en Misdaad, Haarlem 1939. 8. J. Tinbergen, Vertragingsgolven en Levensduurgolven, in: "Bundel de Wolff", p. 143-150. 9. In de nota, betreffende de ontwikkeling van de rechtssociologie in Nederland, van het K.N.A.W.(Sociaal Wetenschappelijke Raad), september 1962, waarmee de rechtssociologie hier weer begon -precies halfweg tussen toen en nu- wordt dit als één der elf wenselijke en dringend aan te pakken thema's genoemd: Onder punt 6(p. 3) staat:"Aandacht dient gegeven te worden aan het ontslagrecht en zijn gevolgen". 10. C.J.M. Schuyt, Rechtssociologie, Een Terreinverkenning, Rotterdam 1971. 11. R.L. Abel, Law Books and Books About Law, in: Stanford Law Review, volume 26(1973/1974), p. 192. 12. A.J. Hoekema, Rechtssociologische Aantekeningen bij het Scha eve goedingsrecht, in: Nederlands Juristenblad, 1 november 1980, afl. 38, p. 977-1000. Ook afgedrukt in de N.J.B.-reeks 6, Schade Lijden en Schade Dragen, M.J.P. Verburgh(red.), Zwolle 1980, p. 189-232. 13. Wat het laatste rechtsgebied betreft is de ontwikkeling wel in de door Sinzheimer voorspelde richting gegaan doch bepaald niet zo ver als hij voorzag. 14. H. Sinzheimer, Das Transformationsproblem in der Soziologie des Rechts, in:"Bundel de Wolff", p. 45-59(citaat op p. 15, aksentuering van H.S.). -8. 15. H. Sinzheimer, 1935, p. 91. 16. F. Gras, Het Standaardcontract en de Verhouding Recht/Maatschappij, in: Themis 1983/1, p. 6-29. 17. H. Sinzheimer, l'Etat et la Société å notre Epoque, in: Archives de Philosophie du Droit et de Sociologie Juridique 4(1931) nos. 3-4-, p. 129-740. Hugo Sinzheimer en het nedemandse arbedsrecht Taco van Peipe In de abedsrechelike Heratuur duikt van iid tot tid de waag op naas het wezen en karakter van het arbeidsrecht, vergezeld van venwizingen naat de nederandseschrivers die zichdiepgaand medievaaghebben bezggehouden zoals Levenbach, Molenaar en F. van der Ven, en soms ook buttenlandse, met name duise auteurs. Zelden wordt echter de naam meer vermeld van degene die de grondlegger bj uutstek van de arbeidsrechtwetenschap genoemd mag worden: Hugo Sinzheimer. Zin reputatie is niettemin bliven voorlleven dankzi Zünleeringen, van wie hier met name Oto Kahn-Freund genoemdmoetworden. Duttsland staat Sinzheimer nu opnieuw in de belangsteling. Zin belangrikste werken worden weer uitgegeven er zin enkele geheel of gedeelelik aan hem gewide publikaties verschenen, en aan de Universseit van Franktur worden sinds 1977 jaariks zogenaamde Sinzheimer-ezingen'gehouden rond themas die met zin werk in verband staan(arbeidssecht, vechtssociologie, arbe dsver houdingen) Ook engelse arbeidsjursten en oganisatesocoogen, de zich op Kahn-Freund baseren, grispen terug op het werk van Sinzheimer. I Nedenand werd de belangstelling voor Sinzheimer onlangs nieuw even ingeblazen door een lezing die Prof. D. Ketler in mei 1982 op imitiatiet van de vakgroep rechtssochologle aan de Universseit van Amsterdam heet gehouden, door de herdenking in de juridische fakuteit van die universiest in november 1983 der gelegenheid van het feit dat Sinzheimer daar 50 jaar geleden werd benoemd, en door het voonwoord van W.F. de Gaay Fomman in de in 1982 uitgegeven bunde! Problemen van Wetgeving" Voor heopneuw bestuderen van Sinzheime zin verschlende moteven aante voeren. De studie van de ontwikkeingen op hettemein van arbeidsrecht en poltiek in de Weimar Republiek kan vruchtbaar zin voor het zoeken aas oplossingen voor de sociaalpohtieke vragen van deze tid. Een ander motetis gelegen in de noodzaak tot bezinning op de eenheid van het arbeidsrecht als jurdisch vakgebied, nu zich ontwikkeingen voordoen in de nchung van een Kahn-Freund was vanaf 1936 101 1971 hoogeraar achtereenvolgens in tonden en Oxtord hi speciahseerde zich in het arbeidsrecht en de rech'svergeliking. Kon voor zun overiden heet hi ineen teea gepubhceere eews nog eeeadukt he ge van Sizhemmer op zun leeringen(onder me Franz Neumann en Ernst Franke"s geweest Ono Kahn-Freund, Autobogratsche Ennnerungen an de Weimarer Republk. Enn Gesprach m Wolgang Luthardl, m Krtsche Justz 1981, p 183, The study of Labous Law-some recolecons industal law Journa 1979 p 197 Hugo Smzheimer, Arbeusrecht und Rechtssonologle gesammete Autsätze und Reden. 2 din, Franktur 1976; HSmzhemner, Der Korporatve Arbeisnorenverrag Berin 1977 (oorspronkelik 2 din. Lepzg 1907 en 1908): H Smzhemer Ein Arbeüstarstgesetz Bertipn 1977(oorspronkelk uug München 1916) W. Wicberger, Hugo Sazheiners Bemrag Zur Enmwicklung de Hechsstelung der Gewerkschaten, Oss Frankturt 1965, M Mariny. Iegraton oder Kontrontaton. Bonn 1976: ze voo vedee vemngendeboekbeseknoveArbesrech und Rechssorooge(vonge noo doos Wogang Lutharot, in Knusche Justz 10 n 4. 1977.0 443 WF de Gaay Fomman Ged). Problemen van Weigeving. Deventer 1982. -10 Taco van Peipe verulming van het vak tot socaa recht, en ook de venwevenhed met het sociaalekonomisch recht Mikt te groeden: Voor mis is het voornaamste motet de beiekenis van Sinzheimer als grondlegger van het arbeidsrecht, de een neuw vakgebed systematsch opouwe agpaa veranderene t schappelike verhoudingen. Indrukwekkend is de gewetensvole en vuchtbave wize waarop hi daarbs weienschapsbeoefening en poltiek kombineerde Dit opste za! vooral gaan over de betekenis van Sinzheimers werk voor de nedenandse arbeidsrechtswetenschap. Die betekenis is niet aleen gelegen in de inwloed die hi op het denken van al dan niet gelikgezinde arbeidsjuristen heet gehad, maar ook in zin inwhoed op de ontwikkeling van he postiieve recht in Nedenand zowel als in Duitstand. Bovenchen hoop ik te kunnen aten zien dathedendaagse nedenandse vakgenoten we watmeer aandacht zouden mo gen besteden aan deze belangrike voorganger, die door Levenbach werd ge noemd de Einstein van hetarbedsrecht Deopzet van d'e arikel is als volgt. Na een biografsche schets bespreek ik Sinzheimers begrp van het arbeidsrecht, en venolgens de opvatingen van enkele nederlandse schrivers die zich met Sinzheimer hebben beziggehouden. Daama komt de betekenis van Gierkes gemeenschapsidee voor Sinzheimes te sprake, venolgens de betekenis van Sinzheimer voor het kollektieve arbeids recht, en de in Nederland gevoerde diskussie overhetautonome arbeidsrecht. gevolgd door een kode slotparagraat. 1 Bograsche she Sinzheime:(1875-1945) hees zich na het volooien van zin juridische studie Zin Jeven lang zeeriiensiet met hetabedsrecht beziggehoden Aanvankelsk as advokaat, publcst, en aktes Uo van de duuse Geselschat für Soziale Reform"/ later in de Weimar Republek, ook als volksveregenwoordiger in de grondwetgevende vergadering(1919), als regeringsadviseur in een advieskom. mssie voor abegeving en voors in zin betekking als hoogeraar aan de Universseit van Frankturt en docent aan de met die undversiest verbonden vakbondskaderschoof, de Akademie der Arbeit, die in 1921 werd opgericht vooramelik dankzi de werkzaamheidvan hemenvan devakbondsleider Theodor Thomas. Zin eerste omvangrike pubkikatie betof het tot dan toe vriwe onontgonnen gebied va hecao-recht" di boek en he ach aar later verschenen werk Ein Arbestarigesetz egde Sinzheimer de grondslagen voor de latere cao-wetgeving in Duttstand Na een gjobale aanzet in 1921 verscheen in 1927 van zün hand een van de eerste systemausche verhandeiingen over het gehele arbeidsrecht, getteld Grundzüge des Arbeitsrechts“* Verder publceerde hi tal van arikelen voora over cao-echt en vakverenigingsrecht, over de ontwikkeing van hetarbeddsVor JP.Duyvernan, Onze academische beoeering van hetarbedsrecht Nedenands Cen tum voor rechshstorsche docAea98 MG. Levenbach, in Memonam Hugo Sinzheiner, in: Paraar 1945,(dalum en hummer miet bekend) Deze vereniging benoemde in 1912 een comileter bevorderng van de sysiematsche bestudering van het arbeidsecht wn naast Sizheme Ztung hadden Karl Fleschen Phulpp Loinar(door Sazhemnes laser gekenschets' as poomers cespechevelk op hegeed van de sociale pohtek en het arbedsrechl), Heinz Porhon(che in 1914 samen me' Sozheinet helldschrit Arbedsrecht opnchte) P. Woibing, en Staatsmmste: Von Berepsch De: Kopporatve Arbedsnomenverwag aw. HSinzhemner, Grundzuge des Arbedsrechts, Jena 1927, verschenen ass tweede druk van de gehknamge maar veel munder ungewerkte versie uN 1921. verdes de cueven als sesp Grundzuge 1927 en Grundzuge 1921 -17. Hugo Sinzhetmer en het nedenandse arbe dsrecht vech ove de geplande maar nauwelks gerealseerde sociaalekonomische adenstuktuur inde Weiar Republek, en overfechssocioogische onderwer pen, veea ook in verband met hetarbedsrecht Op rechtssociobogisch terein ontplooide hi zich vooral tidens zin butengewoon hoogeraarschap aan de Universtieit van Amsterdam(rechtssociobogje, sinds 1933) en Le den(echtssocoogje van het arbeidsrecht sinds 1936) hadat his ook in Frankturt naast het arbeidsrecht enige javen vechssociobogle had gedoceerd. Ale genoemde werken dragen een zeer persoonlik stempe), waanan ik de volgende kenmerken wil noemen. In de eerste plaats de wisgenge instag: de vaak zeer praküsche, maatschappelikke enjuridisch-dogmatschevagenworden in verband gebracht met fundamentele levensbeschouwelike uitgangspunten. Die utgangspunien zin in de eerste plaats als humanisüsch te karakteriseren, zoas soms alut de gekozen tiels bükt: Der Mensch im Arbeüsrecht, Das Problem des Menschen im Rechr. Dit klinkt ook sterk door in de beschouwingen over de arbeidsverhouding als betrekkingen van de inathankelikheddarbeidende mens Verder vas op de optmistische toon, het vestrouwen in de toekomst gebaseerdopeenhaastre gieus geloofin de goedheidvandemens Sizheies wasakomstguit een überaal-joods gezin, enlikt-hoewelzelt niet godsdienstg ingested-Jets van die relgeuze sieerte hebben vastgehouden. Van de vele fosofen en vechtsgeleerden wier ideeen hi verwerkte moet in de eerste plaats Ono von Gierke worden genoemd en daarnaast Kan Marx. Deideeen die hisvan Marx overnamkregen bihemgrotendeels dezede gestale as ihet werk van de oostenrikse marxistische rechtsgeleerde Kart Renner. Zin uitvoergste uieenzetingen hieromtrent zin de vinden in Der Junge Marx und die Soziobogje des Rechts'(1937), Das Transfomatonsproblem in des Soziobogie des Rechts(1938) en Theode der Gesetzgebung(1948)." Naast he tosofsche karaker van zin werk moet de nauwgezete en kreateve behan deing van de jurdische dogmatek worden genoemd. Hoezee ook gedreven door poltieke moteven, Sinzheimer Hep noost om de jurdische problematek heen Hermee ben ik meteen bi het laatste belangriike kenmerk: de explciet pohtieke strekking van zin werk, die onder andere tot uitdrukking komt in zin grote voorlietde voor rechtspoltieke vaagstukken, met name op hettemein van dearbedswetgeving Sinzheimer bewoog zich voordurend in hetspanningsveld van rechiswetenschap en poltiek, en men heet hem wel eens een te grote preoccupate metrechtsgeleerde waagstukken verweten. Zin grote verdienste was echter dat hi zich van die spanning bewust was, en zin opvatingen over maaschappii en pohtiek exp'cheerde Sinzheimer had een levendige belangstelling voor de poltiek, en nam ook aktet aan het poltieke leven deel in 1917 werd hi gekozen tot ud van de gemeenieraad van Frankfurt, waat his na de omwenteling van november 1918 ide sunktie van Provisorischer Polizespräsident werd benoemd. Kont ievoren hadhizich büde SPDaangesloten, waarn hi deeluitmaaktevan derechterdeu gel Büikens zin verkiezing in de grondwetgevende vergadering in 1919, en de kontakten die hjonderhjeld met Kautsky en Rosa Luxemburg" was hi een niet onbelangrisk persoon in de pari. Als voorzitter van de in augustus 1919 inge stelde pardtementaue onderzoekskommissie met betrekking iot de oorzaken van Kahn-Freund heet als derde hootdbron van Sinzheiners denken Von thenng genoemdimyn kenns schet le kon om herover een oordeel le geven Zee Kanl Renner, De Rechtsmnstitule des Privatrechts und ihe soziale Funkton. Stungant 1965 met een uivoenge inercing van Kahn-Freund; de eerste ungave verscheen in 1904 ondes het pseudomem Josef Karnes Ale ore opgenomenin: Arbe"srecht und Rechtssortoboge aw: Theone der Gesetzgebung werdmonvotooide staaposthoum uigegeven bitt D Teenk Willinken zoon, Haarlem 1948 Mededehng van mevrouw K. Postma-Sinzheiner -12 Taco van Peipe deduuse nedenaagen de schuldvraag met betrekking tot de wereldoorog werd Hmikpunt van een antisemitische en nationahstische kampame, waarophi zich lerugtok. Zin voorgenomen benoeming tot Minister van Arbeid in de vegenng Bauer i 1919 ging niet door wegens het verzet van de SPD-trakte, die de voorkeur gat aan de vakbondsteider Alexander Schücke Een iement pattiiman of vakbondsaanhanger is Sinzheime ondanks zin grote inzet voor SPD en vakbeweging(as advokaat) noost geweest. Zjn onathankelike opstelling. bif voorbeeld als arbder in het berhnse metaakkontikt in 1930, gat soms zeds aanleding iot scherpe kritiek vanust de socaaldemokratsche arbeddersbeweging.Alspohtiek spreker was Sinzheimer zeer gewild, zin grote redenaarstalen werd en worct asom geroemd. Ook in Nedenand hield hi af en toe nog poltieke voordrachten, maar uitdrukkeliike polltieke aktiviiedten waren hem hier niet toe gestaan, Sinzheimers komst naar Nedenand in 1933 was het gevolg van de anusemtsche maategelen vandenazs, die hem van de trankturter universtteit venjderden. Dankzi het initiatief van de amsterdamse hoogleraar G. van den Beggh, die in het kader van de betrekkingen tussen SDAP en SPDreeds eerder meSinzheimer kontakt had gehad en samen met enkele vakgenoten(onder we J Vaskhoff en MG. Levenbach)" een Süching tot bevordering van de studie van het arbe dsrecht en de rechissociobogle in Nedenand oprichte, kon Sinzheimer benoemd worden tot hoogleraar in de rechtssociobogle aan de Universitelt van Amsterdam. Zjnintreerede Das Problem des Menschen in Recht maakte grote indruk en werd besproken in de juridische vaktieratuur, evenals Zun i 1936 inLeden gehouden orate De Achtergrond van hetarbeddsrecht. Voor zin benoeming in Leiden als buitengewoon hoogleraat had de jeidse privaatdocent in hetarbeidsrecht A.M. Molenaa ichveelmoe getoost Ondes de keine kring van studenten hier—in Frankturt was hi gewend geweest voor vole zalen te spreken— vond Sinzheimer veel waardering. Naast grondstagen encapuase eciaust de rechissociooge behande de Sinzheimer ook meer tiosofsche vaagstukken waarbi his onder andere Netzsche en Hegel as onder werp koos. In het jaar van de dreigende en uitbrekende were doonog gat hi aanzünlessendetie!: De idee der Vriheidinde geschiedenis der Staatsleer Kon na zin komst naar Amsterdam werd hiuigenodigd toe te teden tot de amsterdamse studiekring voor arbeidsrecht, waaroeonder andere M.G. Levenbach S. Mok, P.S. Gerbrandy en(ater) W. F. de Gaay Fomman behoorden. 8i de aanvaarding toonde hi als steeds bj dergelike gelegenheden, een opval- W Lutharch, aw. p. 446; volgens mededeingen van H. Odewel, die Sazheier in zun nedenandse periode goed heet gekend. is Sinzheier enkele uen minister geweest maas werd zin benoeming terstond ongedaan gemaakt toen hi voorstelen met betekking tot socassate van het groogrondbe" deed W Lutharct aw Sozhemmer sprak oa voor de Bond van Sociaaldemocatsche Studenienchubs en voor de Socahstsche Verengingiof Bevorderng van de Studie van Maatschappelike Vraagstukken Deze dne mensen aakten persoonlik met Sinzhemnet bevriend en hoorden tot degenen de hem tidens de bezeting helpen. Du lell- 50jaa geleden— isonlangs herdacht in de juricische(akulen van de Undversdes van Amsterdam OwZ van aastgenoemde oae maakte de gedrukte verse de indruk; de hofenk en goedwilend in het nederands Ungesproken orate was volgens oorgetugen miette verstaan zu is de wnden ide egelegenhed va he asched van prof Levenbach verschenen bunde! Van Sociale Poltiek naar Socaa Recht, onder redakte van G.M. Veckamp Aphen aan den Ron 1966. De amsterdamse orane islevens atgedrukt in Arbedsrecht und ehssooogea Etwaren degen de vesugnng van de neuwe eestoe noga waweesanden Tegen e komst van Sozherner naa Nederland waren i 1933 al bezwaren gemaakt van natonals "sche ant-socalsusche en anusemische stekking: het Psionsch Archet van de Unwver sien van Amsterdam bevat enkele kranieknipsels herover. -13 20 Hugo Sazheimer en het nederandse arbedsecht ende erkentelikheid. Tidens de bezeting is hi tweemaal opgepakt en door husp van anderen vigekomen, waarna hi in 1942 onderdook. In sepiember 1945 opde dagooeheropening van de amsedae unverste, shite Oveneen overeden. Nazin dood heet Vaskhoff samen met G. van den Bergh de uigave verzorge van zin tidens de bezeting geschreven maar onvolooid gebleven rechtsflosofsch werk TTheorde der Gesetzgebung Hugo Sizheimer wordt door wie hem gekend hebben zonde aazeing be schreven als een bjzonder mens. Het bizondere van zin persoonlikheid ag. asmin reconstruche ust verschilende overleveringen just is, in de combinate van de volgende egenschappen: buitengewone inielektuele talenten gepaard aaneen grote persooniiike besche denhed ondanks de hooggewaadeerde positie waarin die talenten hem brachten, voors een diep-ernstgelevensopvating envaste poltieke oventuiging, gekoppeldaan mild-relativerende humor en soms bjna kindenike argelooshed. Hi bezat een grote overuigingskracht die hem net verhinderde te luisteren naar de argumenten van andersdenkenden, en de inhu waarde te ae 2 Sinzheimers opvattingen over het arbeidsrecht Sociobogische methode Met grote hadruk heet Sinzheimer steeds gepleit voor een sociobogsche benadering van het arbeidsrecht 2 Reeds in zun eerste studie over de cao(1907. 1908) paste hi deze methode toe, zun beschouwingen baserend op de setelike ontwikkeling van de arbeidsverhoudingen en de praktik van de kodektieve on derhandeingen. De krütiek die de eerste druk van zin Grundzüge(1921) ont moeeweersprak hiineenopsteoversocioogschenee inde abehsweenapIn dit weenwoord Het his zich geenszins gening schatend over de dogmatische methode uit, integendeel, hiondersteepte aler eersthet belang enan, maar voegde daaraan toe, dathet vooreen goed begrt van hetabeidsecht nodig was, zich niet tot het bestaande recht te beperken Hibracht die in verband met de snelle maatschappelike veranderingen op het gebjed van de arbeidsverhoudingen. Het nieuwe verschinse! van de cao. bjvoorbeeld, paste niet zonder meer in de bestaandejuridische dogmatek. Om ipassing daarn mogelik te maken was alereerst onderzoek nodig naad de maatschappelike praktik van de cao. Dtt argument was natuurlisk vooral van belangmethetoogop detaak van de wetgever Sinzheimer rekende hetuitdruk- kelik ook tot de taken van de vechtswetenschap juridisch vor te geven aan sociale doelstelingen. I Ein Arbeistaritgesetz(1916, aw.) widde hi in de imeidingeenrechtstllosofsche beschouwing aan deze Jegislatve Rechtswissen- schatt.2 Net aleen bi de rechtsvorming, ook in de rechtsvinding wi hi de Het zou musshen de moete onen de negepuceerde deen a he anuskpe bestuderen Nawaag bi de uigever, bü hellndernatonaalInsttuut voor de Sociae Gesche deniste Amsterdam en bi de nabestaanden van Sinzheimer en van Vaikhoft heetmiechtes oek VDe sozoogsche Methode i de Privatrechswssenschat(199oogsche und dogmausche Methoden i de Arbedsrechtswissenschat(1922,, beide in: Arbedsrecht u De: Komporauve Arbeusnomnenverwag, aw. Le nool 22. D thema pakte hi later weet op in zun heoe deGesetgeng' Szhemne zch we bewustvan hetondersched tussen wadeen Zunsooee egee gig daanan, vathet konstateren van bestaande socae doesteling op asseen obekheve weenschappehkke aktuvien, waaraan geen waardeoordeel is verbonden: De(egusauve Rechssseneoaen Besebugen as gegeben hn Esgenugtiht, dass-44 Taco van Peipe sociobogische benaderng naast de dogmatsche toegepast zien. Immers,ook daarbispelen doelmatgheidsoverwegingen eenro!: Die Getahr der dogmatsch Ursuschen Methode besteht nicht darin, dass dies soist. Ihre Getahr Hegt darin, dass dejenigen, de die dogmatsch-ursstische Methode als die avein wissenschattiche preisen, Ihe Abhängigkeit von dem sozialen Lebensmoment über haupt nicht kennen Erst dadurch enisieht das instinktive und unkontroliene Wenunen, das gefahricher ist als die bewusst getoffene, aber auch an des höchsten nchterlchen Aufgabe kontrolliene Wilensenischeidung Wat bevet de sociologsche benadering van hetarbedsrecht heet Sizhe mer i de oop de ae het peeen. Ook i Nedeand wort deze aanpak agemeen erkend en in praktik gebracht. Zedstandig dee van de rechtswetenschap Opeen vergadenng van de duitse Juristenvereniging in 1912 heet Sinzheimen een pedoo gehouden voo de erkenning van hetarbeidsecht als atzonderlike echsdiscipine Hi vate zin agumenten asvolgt samen: de groeiende beiekenis van de stof van hetarbedsrecht, de egen aard van het arbeidsrech, waarn publek- en privaatrecht samengaan, de noodzaak van een rechtsleer die behadve dogmausch en posttiet ook sociobogisch enrechspotiek i 4 denoodzaak van hulpdisciplnes, zoase sociooge 5 de behoete aan egensoorige rechtsregeling voor de arbeddsverhouding. in plaats van het bestaande zaken- en verbinienissenrecht. He sümuleren van de ontwikkeling van de arbeidsrechtswetenschap en van haas objekt, het arbeidsrecht, ging bi Sinzheimer hand in hand. 2o schreet hi ondem andere in 1914 een uitvoerig opste!: Über den Grundgedanken und die Mögüchkeit eines einheitiches Arbeitsrecht für Deutschand 2 Na de omwente- ung van 1918 votrok de ontwikkeling van het positieve arbeidsrecht en van het vakgebied zich in snel tempo. I het voorwoord bj de eerste druk van zin Grundzüge(1921) sielde Sinzheimer nog vast dat van een ze"standige arbeds rechswetenschap nog geen sprake was, en dat zess over de vraag wat üben haupt arbeidsrecht is en wat enoe behoon geen overeenstemming bestond. Bi de tweede druk(1927) uuidde de aanhet: Die Erkenninis, dass das Arbedsrecht ein einheittiches und eigenes Rechtsgeblei sei, ist heute algemein durchgedrun- gen. Over aard en eenheid van het arbeidsrecht bestond echter nog onvoldoene duideliskheid. Voor Sinzheimer bestond de eenhedvan hetarbedsrecht inhe verschinsel van de athankelike arbeid. sje als Bestebungen bestehen aut che Menschen Wen egen Sie istdann des hstonschen Wssenschat verwandt Auch diese nimmt die Stofe aus,weseseondet ohe ei Wenunel über sie abzugeben De rechswssenschatiche Augabe gegenibe n vorhandenen sozlalen Bestebungen besteht dann, dhese Bestebungen in ihren rechthchen Beorngungen mit sich selbst in Emklang zu bungen. Enn Arbesstantgesetz 1916. aw. p.7. Soztobogsche und dogmatsche Methode aw. p.40. Sozheimer, Die Forentwcktung des Arbe"srechts und die Autgabe det Rechtsehre i Soriale Praxis und Archve tur VokkswohMahrt.. XX nT 39440. he: gecueerd naar Oas Arbeisrecht. 31 Deutsche Juristentag. Berin 1912 Arbeusrecht und Rechssoroboge aw. Ide nedenandse rechistteratuus peeg' dule woren aagedd as ondegeschikthed of gezagsverhouing, ofook wel athankeukhe d in de arbed(waarby mesubnete nuances vershende aspeken van i wezen dezede betekking worden aangedud) aan dee betekking(door Smzheimen ook ass Herrschatsverhatnis of Gewaltverhatns aangedud) Agu een ekonomische athankelkhe dsselane den grondslag waamoo in de nedenandse Heralueea naakeh aanke Korwweg atankekhed geokek is od o eeheeeee eminooge .15 Hugo Sizheimer en het nederandse arbedsrecht Athankelikke arbedd De beiekenis van de athankeliske arbeid voor de eenhed van hetarbedstecht is door Sizhemer hethaaldelikk naar voren gehaald, eerst in het reeds ge noemde opsiel Einheitliches Arbeüsrecht für Deutschland(1914), late onde andere inzin Grundzüge(1921 en 1927), en in Das Wesen des Arbeitsrechts (1927) Van de uitvoergste entevens systematsche uieenzeting inde Grund züge(1927) geelik her de hootclinen weer Das Egentum an den Produktions- mtteln bngt die Abhängigkeit henor und ist die Verfügungsgewal, welche die Abhängigkeit bestimmt(Grundzüge 1927. p. 27) Aan de athankelikheid in de abed(ondergeschiktheid) Not een ekonomische athankelkheidsrelate ten grondslag. Omdat de arbe der de produktemiddelen niet zes bezi moet hi abeid voor een ander verrichten(p. 10. venwizing naar Marx). Hierdoor komt de arbe der in een gezagsverhouding(Gewaltverhättnis) tot de werkgever ie staan(p.11. venwizing naar Gierke) Deze gezagsverhouding is niet een outer ekonomische of iechnische machtsverhouding(Gewaltverhältnis), ae het iseen urdische betekking, die voorvioelt utt de gestoten arbeidsovereenkomst. I Zn beschouwingen ove de athankelike arbeid keen Sizheimer zich legen Loimar, die in zin boek Der Arbeisverrag"' alle overeenkomsten iot het verichten van arbeid(dus ook bivoorbeeld de aanneming van werk) tot het arbeidsrecht rekende. Wel is his het echter eens met Lotman, waar deze het onderscheid maakt iussen arbeidsprestate en vermogensprestate. Bi de an beidsprestatte zet de mens zin eigen persoon in, juist daarom onteent de arbeidsverhouding het egenaardige karakter van een juridische gezagsverhou- ding. Met Gierke beschouwt Sinzheimer de arbeidsverhouding daarom als een personenrechtelike verhouding, die zin wortels heet in het oude duise ge menhaprecht me zin väeriche ode hasheriche Gewalt. De at ing, tezamen met hetaan Marx ontleende begpade abed oeade maakt de athankeliskheidsrelatte in de arbeidsverhouding tot een specifiek begrp met een rike ihoud Sinzheier gaat uitvoerg i op de kenmerken van de juridische beschikkingsmacht, die de arbeid tot athankelikke arbeid maakt(pp 12-22) Mvatze her kon samen: a Er Zin tweeerei betrekkingen iussen mensen, enerzids oblgatoire betrekkin- gen, die hetruilverkeer tussen individuen betreften, en anderzids organische betekkingen, die de organisatie, de ekonomische samenwerking dienen. Samenwerking van ekonomische krachten is sechts mogelikk onder leiding van een buien-ekonomische, juridische macht, die de atzonderliike aktviiet den koördineen. De beschikkingsmacht van de werkgever is zonorganische (dus niet obügatoire) betrekking De beschikkingsmacht is voor de arbeider een veemde macht, hi heet en zest geen deelaan. Daaromval bivoorbeeld de maatschapbulen hetarbedds veht Arbeusrecht und Rechussoxowoge aw. Dekonieksicwingimindevenalngleondersche dentussen gezags-enmachtsverhouding 3. Ph Loimar, Dei Arbeüsverrag nach dem Privatrecht des Deutschen Reichs,2 din,Lepg 1902. 1908 Arbeidsverhouding betekent her de rechtsbetekking die uit het slulien van de arbedsover. eenkomsivoorwoest hethedendaagse undische begup arbe dsverhouding zoassihe B8A 1945 voorkomt heet he nes mee te maken von Gerke, De Wurzeln des Densterrages in: Festschritt für Heinrich Brunner Munchen 1914. Echer(!! Gierke) sevens ass een vermogensrechielke verhouding ze herna pat 4. V ove de ogasche gedahehe nedeaabech(besogasate ec AN Molenaar. Arbeosrecht Zwole 1953, hooddstuk K! -16 Taco van Peipe c Het gaatom macht over vrie personen; de gezagsverhouding ten opzichte anders dan bj de siavern; – op de wh van de van de arbedde berust- atbeider 3 Voor hetarbedrechts aleen de geagvehouing relevant, die uistuitend opde arbeid gebaseerdis: arbeid vankinderen onder het gezagvan devaden bjvoorbeeld, vast daar buiten omdat daarbi de gezagsverhouding op een Famillerelate berust. Het ondergeschiktheidskritenum geet bi Sinzheimer wel de kern van het ar bedsrecht aan, maat beheerst niet het gehele arbeidsrech! Het arbeddsrech ken! Ausstahlungen naar verhoudingen die geen juridische gezagsrelate ken- hen, maar wel maatschappelik gelik se stelen zin met de loondienstverhou- dingå zoals de arbeidsverhoudingen van thuiswerkers. Deze Arbederähniiche Personen behoeven arbeidsrechteliike beschermingomdatzinetalsoonarbe! ders ekonomisch athankelisk zijn. Het werknemersbegrip Sinzheimer onderscheidt tweeeres werknemersbegrip in het arbeidsrecht: het Verbandsbegff en hei Standesbegeff. Het verbandsbegrip rekent diegenen to de werknemers, die arbeidsrechteliike betrekkingen met werkgevers hebben Die werknemersbegrip is niet alleen van betekenis voor de individuele arbedds verhoudingen, maar ook voor het cao-recht en het recht met betekking tot de medezeggenschapindeonderneming(hier duict het Verband opkolektieve betrekkingen) Het standsbegrp vast grotendeels samen met het verbandsbegrip, maat het ismulmer Dit begrp worel in de sociae status van de werkneme, hetomat alen dieophetverichten van athankeliike arbeid zinaangewezen Dewerktoze die eenuitkering genietis werknemer in de zin van hetstandsbegrip. Hetze de geldt voor de werkzoekende die een beroep doet op arbeidsbemiddelng van overheidswege. In deze gevallen ontbreekt de betekking tot een werkgever (Verandsbegrf). Hetonderscheid is zoals uit miin venwizingen al blikt, van betekenis voor de sociale wetgeving. Sinzheimer maakt van het onderscheid ook gebruik bi de indeling van destofin zin Grundzüge(1927). Onder het hoofd Der Arbeüsstand bespreekt hi de delen van het arbeidsrecht die niet de verhoudingen üussen werknemers enwerkgevers regelen, zoalshetvakverenigingsrechtendesocae Nederand is een dergelike beschouwing over het kavakter van de gezagsverhouding al 30 hee vroegte vnden,enwelin hetwerk van eenvandevooechesvandechrsielsk-socae gedachte, ds. AS Tamma m zun brochure De hed van den arbedende sand(1902 keen hi zuchtegen degenen, ce het bibetwoord Gischenstknechien. zilinales gehoozaam Uwen heeren naat het veesch(Col 322) willen toepassenopdeegentdse abedsveroudingen. De daar bedoe deonvoorwaardelke gehoorzaamhe dspücht hadimmers de saverns opheoog,en met het vrie arbedskonwakt Hechtens sonderons deverhoucing van den arbeder tot den werkgever met een van persoonlike dienstbaarhed maa een verhouding van wederzidsche overeenkomst, eenerzds om eiste doen, andezlds om esle geven De getouwe arbe de: is n'et een, ce een heer gehoorzaamt, maas een, de eene vowlluig op rich genomen verpiching, nauwgezet nakomt De ondergeschikthed waan y zich bewndt bis zun arbed, sshenooowendg gevolg van hetsest dathy metanderen samenwerk! een samenwerking, de aleen door eoing vruchtbaas worct. Her gecueerd ull:H. Amelnk Onderegen baner Uvecht 1940,p. 29 in protesiants-chosienke kong godd deze opvatung ass een revolutonawe aanval op het van God gegeven gezag van de patoon oves Zun abeders Vol de i de nederandse sociae verzekeingswetgeng voorkomende bepangen terzake zoals an 4van de Ziekewe! Vo an Werkoosheset da deosagen werkneme saus van werkneme en verzekerde inde vae eoe -77- Hugo Sinzheimer en het nederandse arbe dsrecht verzekering. De hoofdstukken waarin het overige arbeidsrecht wordt besproken dagen hetopschritt: Der Arbeüsverband. Arbeidsrecht een klasserecht? Uit het gemaakte ondersched tussen stands-en verbandsbegrip van de werk emer bhikt reeds dat Sinzheimer zich niet aanstust bi die duitse schrivers die hetabedsrecht beschouwen as het exchusieve recht voor een bepaalde stand of kasse I deze zin is het arbedsrecht voor Sinzheimer geen Masserecht een andee in heet Sinzheie heaberech echee in verband gebracht met de klassentegenstelingen. In zin amsterdamse oratie(1933) sielt hi de mensbeschouwing waas het arbeidsrecht van uügaat tegenover de vam het taditionele burgerliike recht. Niet de abstraktie van gelike individuen met een vrie wisbepalng, maa de concrete evensomstandgheden voren voor het arbeidsrecht het uigangspont: Die Wirklichkest des Menschen, von der das Arbeitsrecht ausgeht, ist der Mensch as Klassewesen. Die Klasse beruht aut der Trennung des Kaptalbesitzes von der Arbeüskratt und aut der dadurch herbegeführten Verschiedenhest der Lebenssituation des Kaptalbesitzers und Arbeders.(..) Das Merkmal des Menschen als eines Klassenwesens ist daher nicht die Freiheit, sonder die Abhängigkeit. Deze erkenning van het bestaan van klassen door hetrecht heet Sinzheimer in zin leidse intreerede gekwali- Hceerd as de vechswaarde(een aan Krabbeonteend begrip) van hetarbedsvecht" De realsering van deze rechtswaarde in nieuw en positief recht is te danken aan het samengaan van geestelike leiding(vooral de sociaususche theore) en eele machten van het maatschappelik Jeven; adus Sinzheimen Opden achtergrond van hetarbeidsrecht spee" zich een hevige belangenstric at. De klassenstriidh en de theorde van de klassenstriid werpen een duidelik ücht op de emst van de situate(.) De dee, dateen sociale henorming noodg en mogelisk was, had in de geesten paatsgevat I zoovere magmen ook van het arbeidsrecht zeggen, dat het gezag dathet posiiieve rechtschiep, hetrechtsgeZaggees De betekenis van de klassentegensielingen voor het arbeidsrecht ügt bi Sinzheimer dus in het begrip van de historsche ontwikkeiing van het arbeids- vecht en in de konsekwenties die het erkennen van die legenstelingen heet wesoce poe 3Sinzhelmer en de nederlandse diskussle over deeenhedvan hearbeds. rech Onder de nederandse schriivers die Sinzheimers werk bestudeerd hebben en eropgereageerd hebben, ziin er enkelen die daarbjjuitdrukkelikvanhuninstem ming en waardering blik geven: De Gaay Pomman, Levenbach, Valkhoff, Mok Ide nederandse arbedsrechtelike Hieratuur komen verwizingen naar Sinzhei mer tot in he begin van de jaren vittig vrisregelmatig voor(hoewel minder dan venwjzingen naar andere duise schrivers, zoals Kaskel, Hueck, Nipperdey Pothoft), daarna schint hi te zin vergeten Op de nedenandse diskussie over de eenhed van het arbeddsrecht, en de o die de doo Snzheier uigewerkte edachen e i Das Problem des Menschen in Rechr in: Arbe"srecht und Rechussozooge aw De Achergrond van hetarbedsrecht, in Van socale poltek naasocaalrechtaw ouuse venang m Arbeusrecht und Rechissoroboge aw I deze beschouwing kes Siheine as de der de 1e eeuwse rechisgeleede o von Siem, ce ass eerste de beieekens van het arbedsecht mzag, toen het nog net of nauwelks esond -18 Taco van Peipe knu aa Min keus ut de belangrikste arbeidsrechielikke auieurs heb ik asen bepalen door de mae waarn zs zich metvragen met betekkingtotwezen en karakter van het arbeddsrecht hebben beziggehouden, en door de mate waarn zi-hetzikrtisch, heizlinstemmend--hetwerk van Sinzheimer daarin hebben betokker Eersi zal kk nu twee auteurs bespreken die het ondergeschiktheidskriierium ne doorsaggevennden vo deeehed van hetabeidsrech:F.JH.M van des Ven en NEH van Esveld. Daarna komen drie schrivers aan de orde die met uiteenopende motvering dat kriertum we onderschriven: A.N. Molenaat, MG. Levenbach en W.F. de Gaay Fomman." Van der Ven I Zin rede bi de aanvaarding van het buiengewoon ektoraat in de sociae wegeving in Tüburg(1938,"baseen Van der Ven zich ondermeetop de argu menien die de bekende voorechter voor een atzonderlik arbeidsrecht, Hugo Sinzheimer in 1912 aanvoerde om te konkuderen, datde ge dende vechtswe lenschap tekon schoot om de sociale problemen, die de moderne vormen van ambeidsverching heetopgeroepen, in haar systeemte begrijpen.1Ook erkent hi de historische jusstheid van de verbondenheid van de ontmikkeling van het arbeidsrecht met de geschiedenis van de arbe dersbeweging. Datisechter ales verleden üid. Het Marxisüsch klassebegrip der athankelike loonarbed is bi arbeidsjuristen als Sinzheimer en Levenbach een vaste rol gaan spelen in de bepalng van hetarbeidsrecht, aldus Van der Ven. Zeffacht hi hetondergeschikt- hedskritenum echter sociobogisch en willekeurig' Zins inziens moeten de grenzen van hetarbeidsrecht ruimer worden getokken, immers,ook deniet-athankeüike arbeid roept rechtsverhoudingen op. in laiere werken heef Van den Ven(omiddels bjgevallen door de utrechise privaatcocentJJ.M. van der Ven) Zin opvating opnieun verdedigd, waarbis hi met name Levenbach heet bekri- üseerd. Sinzheimers opvatting van het klassekarakter van het arbeidsrecht acht Van der Ven verouderd, en slechts begripelik in het ücht van de oudere sociale arbeidspohtiek"en hivenolgt: Dus nu géen beschermende wetgeving en wat dies meer zi? Ongetwifeld wel; aleen geen bescherming van den arbedder omdathistoteenbepaalde kassevan menschen behoort, dochvoor den mensch. omdathj arbeid verricht.„ Alverschit Van der Ven van Sinzheimer in zin begrp van de jedenke maatschappelikke verhoudingen, zun hier aangehaade nomaEenutsiekende weergave van de hee oskusse sie vinden biA.N Molenaar Arbeidsrecht d., Zwolle 1953, ook NEH. Van Esveld. Deontplooung van de indwdu hetarbeddsrecht Amsterdam 1946, behande" de opvatingen van de hues de bespreken schrnvers Verden geet WP. de Gaay Fomman een heet beknopt en he der overzche van enkele opvatingen ove de aardvan de arbeidsverhouding(watmet de eenheidvanhetarbedsrechtlen nauwste verandhou)inzinopsel Arbedarbedsovereenkomsenede iHee daags Ambedsrecht opstelen aangeboden aan prof m MG Levenbach Aphen aan den Rün 1966 Daamnee zin levens de belangrikste socaa pohteke stomngen vedegenwoordgd het kathoweke(F. van des Ven) en het protesianis-chrstelke sohdansme(WF de Gaay For. man) helberalsme(Molenaar en Van Esved), en desocaaldemokrate(MG. Levenbach Du stechts tet orteniate; de verschilende opvaringen zin lang niet ausd represeniatet voot een bepaadde svoming F. van de: Ven werd daar m 1946 hoogeraar in de socale wetgeungen de socale poltek 44 o 1972) en 1952 hooge aa aberechm Nmegen(eveneens o 1972) Chusche meoinglot de syssematek van hetarbedsrecht in F./HM van der Ven, Arbedsvechtehkke en sociaalpolteke opstelen, Bussum 1945 Ze oa Van Socale Poltek tot socaaal recht(1943) en Deeconomsche achergrond van 86 het abeidsrecht(1943) beide opgenomen Arbedsrechtenske opsteden aw. Van Socale Pohtek to' sociaarech aw. -0 Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbe dsrecht Heve utspraak met betekking iot de taak van hetabe zee dicht owa Sizheimer gezegd heet i Zin rede over het Problem des Menschen i Rech: Der Mensch(.) so Lebensrechte haben nicht wes ex Besttzen sondern well er em Mensch ist. Van Esvedd Deopvatting van Van Esveld met betrekking iot de eenheid van hetarbeidsrecht staat dcht by die van Van der Ven. Net als deze erkent hi uttdrukkelik de verdienste van Sinzheimers historisch-sociobogische beschouwingin De Achter grond van het arbeidsrecht; de juridische ontwikkeling is athankelik van de onder hetrechtuitgegroeide arbeidstoestanden enabedverhodingen' Ech er hetarbedsrecht moge danonstaan znaseencompexvanbescheme maategelen voor een bepaade kasse, maar in principe beperkt he zich daa nie! toe Aan Levenbach venwiit his onder inwoed van Sinzheimer en Marx het arbeidsrecht als een klasserecht te beschouwen. Levenbach zel ontkent dit Maar volgens Van Esveld geett het eigenlik geen pas dat Levenbach zich atzet legen de schrivers die het arbeidsrecht opvaten als een Sonderecht voor een bepaalde kasse, omdat zin opvating—adus Van Esvedd-daarinhoudelik toch ook op neerkom!. Van Esveld haatt hier twee diskussies met betrekking tot het klassekarakter van het abeidsrecht door ekkaar. Zowel Sinzheimer(Grunczüge, 1927, p. 33) as Levenbach(zie hierna) verwerpen uitdrukkelik de opvattingen van Kaske enanderen aszouhetarbeidsrechtuttzonderingsrecht voor een bepaalde stand ofkasse zin. Het betoog van Sinzheimer over het verband tussen kassenstrid enontwikkeling van hetarbeidsrecht, en insamenhangdaarmee, over de erkennn va he besaa va kassen door hetreht impicee enis at hi hetaberechtoaheutzondengrecht vor eenepaade kasse Het zegtaleen jets over de mander waarop arbe dsrecht zich ontwikkelt en over de overeenstemming iussen arbeidsrecht en maatschappelike werkeliikheid. De kasseniegenstellingen die Sinzheimer in die maatschappelike werkelikkhedd on derkent zin niet juridisch gedetnieerd, zi zin niet gelik te stellen met teodale standen en met een eigen rechtsregjem. Molenaat Meer lerzake is de kritiek van Molenaar 2 Zj richt zich op hedoor Sinzhemen gelegde verband tussen kassentegenstelingen en arbeidsrecht. Net als de eerder genoemde schrivers erkent Molenaar de historsche juistheid van dat verband. Daaruit vallen echter volgens Molenaar geen konsekwenteste tekken voo de wetenschappelike beoetening van het arbeidsrecht. Sinzheimer be weeg zich her op zuiver poltiek terrein. Het staatimmers alerminst vast, dat er geen plaats voor arbeidsrechtelike regelen zou zin, indien de produktemid delen in handen der gemeenschap zouden zun overgegaan en-casus non dablis—de arbe ider bis zin werk geenleiding meer zou hebbente aanvaarden van mensen of organen, die alsdan over de produktemiddelen beschikken. Bovendien zin er ook buiten het arbeidsrecht regeiingen die niet uugaan van hebezil, maa van de maaschappeliike toestand van de mens, zoas de Kinder- wetenendewetgeving voor bepaalde beroepenotbedriiven, adusMolenaar. De sielingname van Molenaar bevat miins inziens een kern van waarheid maar houdt op kritiek te zin, wanneer men de opmerkingen van Sinzheien opvat zoals ze bedoedd waen, in een historsche context Sinzhemmer kwam De Onppooing aw. p 169. Tap. p 146 Arberdsrecht aw. d1. 1 p. 329 ev. -20 Ta: o van Peipe imes tozin deitie va heaeegro van een hstorsch-socoogschebeshowing en ne op grond a ee ale dem en maaschappüvormen geldende metatysische bespiegelng. Dat e sinds het ontstaan van hetarbeisrecht ook andere(zi hetin de td dat Molenaar zin kritiek uitte(1953) we ze e vele, en toen Sinzheimer zin detnitie gat nogveeminde) rechsege ingen zin ontstaan die van de ledielike maatschappelike toestand utgaan(k denk met nameaan de socaalekonomische wetgeng) realseerde Sinzheimes Zicch heet goed Sinzheimer stond een dergelike ontwikkeing(Wirschattsrecht) ze" voor Zuiver poltiek bepaald was Sizheimers opvating niet. Wel is Sinzheimer steeds onverholen voor zin pohtieke opvatiingen utgekomen, was hemwel eenskwetsbaat heet gemaak!. Uttspraken als: Das Arbeitsrecht arbe: etin der vordesten Linie sta A nung, die nicht das Egentum sondern das Menschentum in den Mitielpunkt Iher Regelungen stellt en Menschüiche Würde zu erhatten, ist die besondere Autgabe des Arbeüsrechts hebben een uitgesproken sociaal-pohtieke stekking. Echer, niet daaraan ontleent Sinzheimer zin begrp van hetarbeidsrecht maas aahsosch-socoogische endischehie inzin Grundzüge heett uieengezet. Molenaar ze aanvaardt de ondergeschiktheid als kriterium voor deeenheic van hetabedt op otaktsche groden vriwel ale wetelike voor Zleningen met betrekking iot de arbeid nchten zich immers op de arbedd in oondienst. Zjns inziens gaat het sechts om een werkbegrip zonder diepere betekenis' Zonder aan de goedeindentes metbetekking tot wetenschappelike objektivttieit de twwiffelen kan men zich echter atvragen of het ontkennen van de relevantie van klassentegenstelingen voor de eenheid van hetarbeidsrecht niet evenzeer een stelingname impliceen als de erkenning daanan. Levenbach Levenbach, die sinds 1926 de eerste atzonderlike(eerstoel in het arbeidsrecht bekleedde, gat een detimitie van hetarbeidsrecht die sindsdien vriiwel algemeen saanvaard. Dat Levenbach een grote inwoed van Sinzheimer heet ondergaan is zeken. hizest maakte hierop atent in zin professorale rede van 1939.3 Het valt boven- dien op le maken u' de inhoud van zin werk en uit de venwüzingen daarin. Levenbachs defnitie luidde als volgt: Arbeidsrecht is het gehee van rechtste gelen, die op persoonlike onderschikking meebrengende arbeidsverhoudingen endedaarmee onmiddelik samenhangendelevensomstandigheden betrekking hebben. B Evenals Sinzheimer leict Levenbach zin begrio van hetarbeidsrecht Ze oa Zunopsielen met betekking tiot de op socaalekonomisch gebied. in Arbeüsrecht u a Reeds m zun orate Bronnen van Arbedsrech 1927, opgenomn i Van Socae Polte naasocaalrecht aw Oganisatevoren i he Nederandse arbedstecht, opgenomen in. Van Sociale Polnek naar socaalrecht aw Voorchen was Levenbach ektor. Devenenzingen betefen echterveelvaker Pothof(aanweas Weg-und Kampigenossen Sinzhemners Grundzuge 1927 was opgedragen) Levenbach schatem 1927 eenexempaat van Szhemers Grundzuge aan,dahy blikensonderstepagen en kannekeningen grondg en knusch bestudeede M is meet gebleken dat Levenbach reeds voor Zun orate van 1926 Sizherners werk heen gekend, de boekenkolekte che Levenbach aan de bubhotheek van de jurichische lakulest van de Universties van Amsterdam schonk, bevat geen boeken van Sozhemner dhe voov 1927 Zun gekocht Duss de detmmte zoals Zn voorkomt o de 1929 voor NVV bestoure gehoue ee Hes Meuwe Arberdsrecht, m: MG Levenbach Arbedsrecht, een bundel opstelen. Aphen aan den Rin 1951 m Zun orate van 1926 kwam de omnue pesoonke onesckking meebengende arbedsverhouingen met voor.inplaats daanan heene hettoen: De arbedd wekke het onderwerp van het arbedsrechr utmaakt. s che waarby de arbedskracht recht-21. Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbe dsrecht at Ut de met de kassentegenstelingen(scheiding van arbedd en egendom) samenhangende ekonomsche athankel khedd van de arbe der Vooms breidt hi de steer van hetarbeidsrecht utt middels het aan Sinzheimer ontleende begrip Arbederähniche Personen Ook in de beperking van de voor hetarbe dsrecht relevante arbeidsverhoudingen tot die welke opbasis van vriswilüghend tot stand Zun gekomen siemt Levenbach met Sinzheimen overeen: De typischondet het arbeidsrecht valende arbeidsverhoudingen hebben echter gemeenschappelike sociobogische kenmerken. Herbis teften wis namelik steeds aan, dat een Vrl pessoon zich vriswillig' inof door zin arbeid inondergeschiktheid aan eenander begeet En his moet dat gewoonlik doen, wil hi door gemis aan proouktemiddelenzeltnietinstaatis als ze"standigein heteconomischelevenopteteden De reeds besproken opvatiingen van Kaskelen Hueck met betrekking tot het arbeidsrecht als het bjzondere recht voor een bepaalde stand of kasse, i Nedenand aangehangen door Romme en Van Ape doorn, heet Levenbach uitdrukkelisk verworpen: Miet de subjechieve egenschap van blivende aard, dat men rechiens ot een bepaade maaschappelike laag behoon(persooniike satus), is uügangspunt voo de nommen van arbeidsecht doch de objecheve verhouding van ogenblkkelik karakter, dat een persoonlike onderschikking meebrengende arbeidsverhouding(een relate) aangegaan wordt.Door status en relatte zo absoluut iegenover ekkaar te stelen, Mikt Levenbach het werknemersbegrip de willen inperken tot wat Sinzheime:"Verbandsbegriff noemt. De waruimere formulering van zin detnitie endedaarmeeonmiddelik samenhangende Jevensomstandigheden. kan dit echter compenseven. Dat Levenbach een dergelikke inperking niet bedoeld heet blikkt ook uit de indeling van het arbeidsrecht, die hii kontievoren gat, en waarin hi als eerste rubnek opnam het abeispersonenrecht. Dit betrett zowelindividuele personen asscoecHeve personen.(.) Zowel het vakverenigingsrecht als eventuee bedriftsraden- vecht as de regelen betetende he Deparement de Hoge Haad van Arbeid, de Arbeidsinspeche, de verzekeringsorganen alsook die betrefende deInierna- onale Organisatevande Arbeidvormeneenondenwerovanhetarbedsrecht. Levenbach voen lenstotte ook een sociaalpoltiek motet aan voor de bestiding van de gedachte van het arbeidsrecht als standsrecht: Namelik dit, dat ea e asanoraals, dat wisthet de geliskheid voor de wet zou doorbreken en privdteges voor bepaalde groepen zouscheppen, zo beperkt mogelik moet bliveninuitvaardiging, toepas- sing of inierpretate. he voogaande heb ik enkele malen verwezen naar Levenbachsopste over Het nieuwe arbeidsrecht(1929). De tiiel daanan vergt enige toeliching Levenbach wist op het plotseing naar voren komen van het agemene gebruik van de lem arbeidsrecht in de Weimar Republek. Daar komt de derm het steeks voor een andes worct aangewend, waarby de arbedsvernching me' duekt voow de arbeidende persoon ze" geschedt(Arbedsrecht ass deel van hetrecht, in: Van Socale Poltek naar sociaalrecht aw) Met de herziene formulering beoogde Levenbach enkele gensverschynselen, ceonget eld i hearbesrechtthusshoren, doch urdisch eoes ooncenstvalen medeleomvaten(Hei meuwe arbedsrecht aw, p 13) Aanwekke arbedds verhoudingen Levenbach hes dach is m niet dudek, het moet gaan om verhoudinger waan van oncergeschikthed wemaar van oondenst geen sprake is Mogel doedde he op arbedd ce in de zi van de Arbe dswet in een ondernemung werd vernicht zonde dat van een arbedsovereenkomst sprake wasbuv in het geval van uuzendarbedd Ze oa Het Meuwe arbedsrecht, aw, en Arbedsrecht ass eenhedd(1933) eveneens opgenomen n Arbeddsrecht aw Arbeidsrecht als eenhed aw, p. 108. Arbeidsrecht als eenhed aw, p. 109 Het karake van he arbedrech(1933), m Arbesrech aw. p 113 Arbedsrecht als eenhed aw. p. 110 Het karake a heaba 114 -22 Taco van Peipe neuwe arbeidsrecht vandaan.inNederand kwamdesocale wetgevinglegen het einde van de negentende eeuw op gang in de vorm van uttzonderngswet gevingier bescherming van bepaalde groepen. Het nieuwe arbeidsrechtonder scheidt zich daanan door zin algemeen karakter(bjvoorbeeld beperking van de arbeidsduur voor ade arbeiders in plaas van aleen kinderen en vouwen) door eenenormme kwantateve uibreiding van de regeen door deontwikkeling van het kolektieve arbeidsrecht en het medezeggenschapsrecht, en den stotte doot een neuwe opvatting van de arbeidsverhouding, niet as eenlouter indivi- dualstsche rusverhouding, maar inde eerste paatsas'eenogaisateverho. ding, een de regelen betrekkingencomplex van personen. De Gaay Fomman Deinwoed van Sinzheimer is duidelikker dan waar ook in de Nedenandse rechts Heratuur aanwsaar i het proechrt van.F de Gaay Forman n et voonwoord wordt Sinzheimer bedankt voor de geboden hulp. De Gaay Fomman heet bide voorbereiding van zin proefschritt dehulpvan Sinzheimeringeroepen (en nuimschoots verkregen) op aanraden van zin promotor Gerbrandy. P.S Gerbrandy was zes een van de eersten die de nedenandse rechsbeoeenae opSizhemmer opmerkzaam maakte en welin zin in 1930 gehouden inaugurele fede. Het ondergeschiktheidskritersum wordt door De Gaay Fomman onderschre ven,Levenbachsdetnitie van hetarbeidsrecht neemthijovere Voorde echts grond van hetgezagvan deondernemer(werkgever) venwjst hi naar Sinzhei mer De Vefügung über die Arbeüskratt ist eme Form der Verwenung des Egentums. Die Egentumsverügung ist in diesen Fall nicht nur ein sachenrecht Wche, sonder auch ein personenrechtlicher Aki" Zowel de door Sinzhemen aan Mar en Renner onteende gedachte dat in het kaplalsme de egendom wordt tot beschikkingsmacht over personen, als deop Gierketeruggaande dee van he personenrechtelike aspekt van de arbeidsovereenkomst wordt door De Gaay Fomman overgenomen. Gelik Sinzheimer in zin Grundzüge gedaan had, ging De Gaay Fomman in Zin proesschrist uitvoerg in op de betekenis voor het arbeddsrecht van hetwerk van Gierke, met name diens Wurzeln des Dienstvertrages, en opde tegensteling iussen de romeinsrechtelike(ocato-conducho operarum en het personenvechtelike duitse Treudienstvertrag. Voor De Gaay Fomman is de arbeidsover eenkomst echter niet een Jouter personenrechtelike aangelegenhed, zu bevat evensverogensrechelike elementen,zasook Sinzheimerheetbetoogd.o De persooniike betrokkenheid van de arbeiders bi de arbeid is voor De Gaay Fomman de rechtvaardiging voor medezeggenschap in technisch-organisaton- sche aangelegenheden, de ekonomische medezeggenschaplaathiuitdrukkelik buiten beschouwing Merkwaardig dat de deeen van Gierke zowelaanhangersvanhet protestants chrstelike soldarisme(De Gaay Fomman en Gerbrandy) alsook een uigesproVol ook Sizhemer biv: Der Kampt um das neue Arbe"srecht(1924) m. Arbeüsrecht und ea Hei neuwe arbedsrecht aw. p. 33 Deondememing in het arbedsrecht. Amsterdam 1936. Eenge opmeringen over de verhouding van handesrecht en arbedsrecht. Amsterdam (V0) 1930m Van Socale Poltek naasoa a Aw. P8 De Gaay Fomman aw. p 97: Sozhemer Grundzüge 1927. aw p 25 Ze de vogende patagraat Aw. P 98. -25 Hugo Sizheimer en het nedenandse arbe dsrecht ken socaal-demokraat als Sinzheimer hebben kunneninspreren."Mins inziens hee De Gaay Fommanalengszinsaangegeven hoe dat komt de overeenstemTng geldt slechs een beperkt aspek va de arbedsverhoding hamelik de personenrechteliike. Dit laat de meningsverschillen tussen sohdarsten ensocaNsten met betrekking iot het vermogensrechtelike aspekt onberoerd. Na zjn pedoo me betekking to de medezeggenschap ze ade ganga zaken in de onderneming zegt hi het volgende: Wi wizen met ale kracht de beweringlerug, als zou een dergelikke meening als socaustschmoeten worden gekenschetst Een stapop de wegnaar socassate, naat het ophefen van den paticuleren eigendom der produktemiddelen is het toekennen van medezeg genschap in den gang van zaken deronderneming aan de arbe ders geenszins Het is niet meer dan een aa hen verzekeren va hun rech zeggenschape hebben in de bepaing van hun levensomstandigheden. nu hun economische positie hun datrecht niet voldoende waarborgt. Om Sizheimers eigen positie in deze duidelisker te bepalen za ik nu zin opvatingen over Gierke en over de gemeenschapsgedachte in hetarbeidsrecht nader bezien. 4 Sinzheimer en de gemeenschapsgedachte bl] Gierke Sinzheimer heet de betekenis van Otto von Gierke voor het arbeddsrecht bi diens overliiden hee beknopt samengevat in: Oto von Gierkes Bedeutung für das Arbeütsrecht(1922) in de eerste paas ziet hi die betekens in Gierkes peidoos voor de ontk- keling van sociaalrecht, ook waar het de herziening van hetprivaatrecht betett. Gierkes aankachttegen het Ontwerp BGB 1869 paratraserend roept Sinzheimen uit Ein ne Abecht wird sozia oeid nicht sein. Verder gaat ook Sinzheimers hierna te bespreken opvatting over de cao. alseen vomm van sozjale Selbstbestimmung lerug op Gierke. Hee belangriik is tenstotte de in- woed van Gierkes opstel over Die Wurzeln des Diensterags"Zoass gezege beschouwt Gierke de arbeidsverhouding als een Herschatsverband, een pen sonenrechtelike, niet een verbintenisrechtelikke betrekking. De rechtsfiguur van dearbeidsovereenkomstworeli zinsinziensinhet duitse Genossenschatsrecht (Treudienstvertrag), en nietin deromeinsrechtelike(ocato-conduchooperarum Sinzheimer neemt de gedachte van het personenrechtelik karakter van de av beidsverhouding gedeelelik over. Tot de personenrechtelike aspekten rekent hi het gezag van de werkgever en diens Schutzpficht(verpichiingen met betekking tot de veilügheid en dergelike). Daarnaastkent de arbeidsverhouding volgens Sinzheimer echter ook verbintenisrechtelike kanten: de verpichtingen totarbespresae enoonbetang.De opvatiingen van Potthoff, die in navol De merkwaarctgheid zu hem i de gemeenschappelkke inspwatebron; overeenstemmung 70 over konkrete socaalpotneke maategelen komt meer voor, maas worct doorgaans of ueenoe wize eegmeed Arbeusrechtund Rechissonologe, aw, ze voor eenrecente herwaaceng van Gerkes beiekenis voor hetarbedsrecht: F. Jobs. Die BedeutungO. v Gierkes tur de Kennzeichnung des Arbeusverhalnses als personenrechtiches Gemenschatsverhalms i: Zeiischntt tir Arbeusrecht 3. 1972. p 305, mei verdere Heratuumenwizingen Vyl O v. Gerke. De Sonale Autgabe des Privatrechts, Berln 1889 In: Fesischrt tür Heinrch Brunner München 1914 He! Denstverrag sseen rummner begrp dap henederandse arbedsovereenkomst, hetomvalevens eovereenkoms'tot aanne Tnvanwerkendelothe verrchen van enkele densten Ibeperk s her to debeek van Gierkes opsiel voo de arbedsovereenkomst Grundzöge 1927, aw. p.144 ev -24 Taco van Peipe gig van Gierke de arbeidsovereenkomst outer als een Organisatonsverrag beschoum, wist hi at. Hetgemaakte onderscheid is van groot belang voor de paats de Sizheimet toekent aa deeenagedache he aberech i benadrukt dat er met betrekking tot de verbintenisrechtelike inhoud van de arbeidsverhouding geen gemeenschap bestaat tussen werkgever en werknemer. Op het temein van het vernogensrecht staan arbe der en egenaar va de poduktemiddeen egenover ekkaar. Voorzover er een gemeenschap(ussen werkgevers en werknemers bestaat, Not deze i de gewastrechtiche verhoudingen. Die gemeenschapis sinds 1919 geregeld in de Arbeisvedassung" Arbeüsvenassung inde Grundzüge(1927) voer Sinzheimes een gemeenschap tussen arbed en egendom den tonele. Geen gemeenschap van geäkgerichte belangen, maat een die er toe dient belangentegenstelingen va wisovereenstemming te over bruggen De gemeenschap betet niet de hele eigendom, maar sechs een deedaaman. Met het Haben' en het Venweden'(bezütstunktie en kapltaaltunk- He) maarslechts het Verwatten(behee) maakt dee uitvan die gemeenschap Deze gemeenschap is voor Sinzheimer niet een natuurlik gegeven, maa de vuchtvanwetgevende arbed, waarin hi zelt een belangrik aandeelheet gehad. Arikel 165 van de Grondwet van Weiman, kende aan werknemers en hun vak oganisates het recht toe op voet van gelikheid met de ondernemers meete werken aan de regeling van arbeidsvoomwaarden en aan degemeenschappelike ekonomische ontwikkeing van de produktiekrachten. Eenenanderzoumoeten worden uitgewerkt in een Arbeüsvenassung, een ware konstitutie van de arbeid. Daar de Arbeisverassung betrekkingen tussen werkgevers en werknemers regelt, hoor zi tot het Verbands'gedeehe vanhet arbeidsrecht Sinzheimer detimeert haar als die Beziehung des Arbeüsverban- des, welche zwischen Arbeitnehmern und Arbeigebern zum Zwecke der gemein- schattiichen Ausübung von Verügungsrechten der Arbeigeber besteht." omvat de regeling van de medezeggenschap in de onderneming, decao, de 'Arbeüsgemeinschatten(paritair bestuurde organen metbepaalde socialetaken, vergelikbaar met de nedenlandse bedristsraden), kolekiieve kontikten, en arbi- wage. De Arbeisverassung past geheel in de kapitalsüische produktieverhoudin- gen, waarn arbeid gescheiden is van de egendom van de produktiemicdelen, die zichin partikuliere handen bevindt. Sinzheime: Het er geen misverstand over bestaan dathi die toestandopzichongewenst vond. Zinbeschrivingen analyse vanhetarbeidsrechtwasechterop debestaandetostaden geasee, evenals Zin programma voor de verdere uitbouw van het arbeidsrecht. dem, p 119 M eaonh peheee vechtelik. Sizheimer gebrusklin dezetde zin ook delerm gewatrechtich, waeenverwizing Mkinle houden naar Gierkes Herschatsverband 'dem p.207 ev. Aandetostandkomung va dat arike was een overeenkomst'ussen werkgevesen werk. nemersvoragegaan i de revolutedage van novembe 1918werden de werknemersvak. bonden door deindustnele groonwerkgevers erkendi dezgn Stnnes-Legen overeenkomst (genoemd naa resp de werkgevers- en de vakbondsvedegenwoordger) i Nedenand deden zichmedeonderinwoedvan hetduuse gebeuren onkkeingen oo e vergekbave wekkenveronen, zoas detosstandkomng van de Proeve Posthuma-Kupers metberekking to de lvoerng van de Ziekewet door ogasanes va werkgevers en werknemes ze ove deze ontwkkeingen met name B Bogger. Oganssaionsche verhoucingen uusschen werkgevers en arbeders Haatem 1929 Grundzüge 1927. p 109 -2 Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbeidsrecht Het onibreken van een vermnogensrechtelike gemeenschap tussen werkge- vers en wesknemers werd door de rechspraak en doktrine in de Weimas Republek soms miskend. Sinzheimer heet dat beknuseerd in zin verhandeingen over het zogenaamde Betriebsriskko" Betriebsrisiko Sinzheimer behandel de waag, of de werkgever tot loonbetaling verplcht is. indien his in verband met bedritsstapte geen gebrusk maakt van de arbeid, die de werknemers op grond van hun arbeidsovereenkomst verpicht zin te verrich. den Meloepasing vanheagemeneverbintenissenrech beantwordt Sinzhe me de wgesgend eHet Reichsgericht wasechtertot eenanderooee gekomen in het geval waarin een onderneming stl was komen te Nggen ten gevolge van een stakingin een deel van hetbedrit. Daarbjhad hetzich beroepen ophetbestaanvan eengemeenschaptussen werkgever en werknemers. Hierop inhakend siett Sinzheimer dat er welswaar op grond van het Betriebsrätegesetz (ondememingsraden) een gemeenschap bestaat met betekking iot de uttoete ning van gezagsen beheersbevoegdheden(Herschats- und Verwattungsbe fügnisse), maar géen vermogensrechtelike gemeenschap Terugkerend tot de agemene waag van het bedristsrisiko verolgt hi dan: Eine Vernögensgemein- schatt aber zu konstruieren, nur zu dem Zwecke, um Lasten deswirtschattichen Rückgangs auf die Arbeitnehmerseite abzuwälzen, widerspricht nicht nur den posiiiven Recht sondern auch dentasächlich bestehenden wirschaftlichen und sozjalen Zuständen. Das Reichsgericht ist in der enwähnten Enischeidung, so weit man den Gedanken der Arbeisgemeinschatt als ein konstruktiven Grund- gedanken auffassen dart, dem rechtichen sozialen und wirschattichen Verhatt Tssen mi vorausgeelt.Het Reichsgericht iste sne geweest, een vermogens- vechielike gemeenschap is thans niet aanwezig, maar zal er, naar Sizheien vemwacht in de vere toekomst wel komen. Een vergeliikbare uttspraak van het Reichsarbeüsgericht uit 1928 werd door Sinzheimer op dezetde wize bekriti- seerd. Hei RAG had met een beroep op het bestaan van een gemeenschap van werknemers en werkgevers zels de betefende bepaingen van hetagemene verbinenissenrecht niet van toepassing verklaard. a Bovendien had het RAG de arbeiders ondering ass een gemeenschap opgevat op grond van hun Betriebsverbundenheit Sinzheimer bracht daar tegen in dat voorzover hier van een gemeenschap sprake was, deze stechts voortwoe de uit het gezag van de werkgever, waaronder de arbeid werd verricht. Het personeel ass gehee mag net verantoordelik gesteld worden voor het gedrag van individuele arbe ders ofgroepen, want Nicht die Arbeinehmerschatt setzt sich zusammen, sondern sie wird durch den Arbeigeber zusammen gesetz!. Absatzstocking und Arbetsverrag'(1924) i: Arbeusrecht und Rechtssonooge aw. 78a Idem. p 210 Das Rechsarbedsgercht zum Betriebsnskko(1929) in: Arbeusrecht und Rechissorovoge aw De her besproken ursprudente werd eveneens hetg bekrtseerd doo Sizhemmers eering Ono Kahn-Freund(destids vechter in het Arbedsgench' te Beryn) in zun u'voenge beschouwing ove de deotoge van het Hechsarbeusgercht. Dassonale dea des Rechsar beüsgenichts Eme kriüsche Undersuchung zur Rechtsprechung des Rechsarbedsgenchts Mannheim 1931, onlangs ooneuw verschenen ineenengesevngn. Rlewsand Cark(ed) labour Lawand Podtcsithe Weinar Repuc Oro Kahn-Freund,Ortod 198 Nedenand heet de Hoge Raad gested, dat een werkoilge by siaking onde bepaade omstandgheden geenvechop loon heen' omdatde achevoeende arbeders zuncowegas Zin e wehy de bean weke de aede as groep aangaan gemeen heet(HH 7.5-1976, NJ 1977, 55) De belangengemeenschap bestaat de mwasshoek van de HRIs eenandere dan cie van het RAG. Toch kan ook aan de HHworden degengeworpen da'aan hebestaan van een bepaade vorn van gemeenschap(belangengemeenschap van arbe ders) geenvernogensrechtelke konsekwentesmogen woden verbonden ideverhouding 1ussen de mcnwiduele werknemer en zir werkgevet -26 Taco van Peppe Vakverenigingsvrihend De gemeenschapsgedachte in het arbeidsrecht en de onikenning van de kas seniegenstelingen is met name door de naz‟s gebruikt om het bestaanstecht van een onathankelike vakbeweging te onderminen a Sinzheimer heet dat gevaar onderkend en besteden, o.a in het in balingschap geschreven arike! Devakbewegingen corporateve gedachten(1936) Daar sielt hif het katholieke sohdarsme van de encyklek Quadragesmno Anno(1931) aan de kaak, omdat daarin de paats van de vakbeweging onduidelik bhft. Een onathankelike vak- beweging als georganiseerde macht tegenover de macht van het kapuaal is Zins inziens echter nodig voor de regeling van de arbeidsverhoudingen zolang een socaustsche ordening van de ekonome niet is bereikt. Die Versohnung der Arbeigeber- und Arbeitnehmerinteressen in Berufsständen, wie der Sodda Tsmus se sich zur Autgabe gestelt hat schtesst prakisch die Getahven des Faschismus ein, wie das ostegeichische Beispiel zeigt. 5 He! kollektieve arbeidsrecht, die dee der sozlale Selbstbestimmung Voor heposeve aberecht en deabrechswetenschapdebetekenis van Sinzheimers werkhetgroosstophertemein van hetkolektieve arbeidsrecht. Sinzheimers Korporative Arbeisnormenverrag(1907/1908) was éen van de eerste uitvoerge studies op hetterein van hetcao-recht. In versche dene landen waren kon tevoren de eerste wetelike regelingen met betrekking tot de caototstand gekomen. De regeingen waren zeer utteenlopend, Austalé en Neuw-Zeeland kenden bjvoorbeeld verplichte arbitrage, tenwil in Nedenand een zeer summiere en voorzichtge regeiing iot stand kwam(16377 BVV). In Duttstand was sinds kon een diskussie gaande over de wense kheid van een wetelike regeling, en over de wraag hoe die er eventueel zou moeten uitzien i 1900 had oar zin opvatingen ove de cao A (Hügin, Rundstein) stoten daarbjj aan. Vriwel geliktjidig met Sinzheimers boek verscheen een eveneens tamelik omvangrik werk van Köppe.8 De diskussie over de cao. konsenteerde zich vooral op de volgende vagen: mogen aan arbeiderszide aleen vakbonden een cao. asstulten of ook tdelik gevorde osse groepen? In hoevere moet het individuele werkgevers en arbeders vris staan van de cao aste wiken, enisterzake een atzondenike wetelike regeling nodig? Is uibreiding van de werkingssfeer van de c.ao. butten de kring van de georganiseerden gewenst en zo ja,op wekke wize en onde wekke voonwaar. den? i deze diskussie in Duitstand had Sinzheimer een belangrikk aandee Sinzhemners eeriing Neumann wees in dit verband op het gebrusk dat de naz's maakten van Gierke en zun oud-Germaanse gemeenschaps dee, F Neumann, Behemoth. The stuctre and practce of natonal sociausm, Londen 1942. p 341ev. De Vakbeweging in de Economische Opbouw, Amsterdam 1936, her gecieerd aat 83 Gewerkschatsbewegung und kopporativer Gedanke, in: Arbedsrecht und Rechtssonoboge. aw dem p.317. Zeover Sizheimnersopvatingen over de vakbewegingook Widberger aw Ph. Loiman, Deie Tantverrage zwischen Arbengebern und Arbennehmern i Brauns Acchiv XV p'aats onbekend. 1900 H Koppe. Der Arbeüstantverrag als Gesetzgebungsproblem, eme soxialpohusche Studte. Jena 1908 Köppe maakt melcding van de standpunten de Sozhemner heet ingenomen op de Verbandstag deuische: Gewerbegerchten in 1905. oa het toen nog net agemeer geaksepteerde siandpunt, dataleen door vakbonden van werknemess(kompowauve agestoden cao'serkend moesten worden(Koppe. aw. p 37 Ze voorhetbegon van dexe oskusse o Nedenand oa:J van Zanien.De zoogenaamde Bba cao,m Rechtsgeleerd Magazjn 1903.447:APTh Eyssen.De coecheveabeoe eenkomst vegtsinsttuut ot socaal verschinsel?m: Themus 1905 p 60.E M Mewers. Het conecheve arbedscontact en de agemenerechtsbeginselen,in Thems 1905, p 397, Handeingen Nedenandse Jursstenvereniging 1905 -27 Hugo Sinzheimer en het nederandse arbeidsrecht Asantwoordopdebovengenoemdevagenkoosdewetgevervopossingen die ook door Sinzheimer waren aanbevolen." Voorbordurend op de deeen van anderen enop voorbee den uit het bustenland, had Sinzheimer dit ales samengevoegdtoteen goeddoordachtenrechtswetenschappelik getundeerdsysteem in zin Kopporative Arbeisnormenverrag' en Ein Arbeüstaritgesetz(1916). Zin ontwerp Arbeistariigesetz ag in belangrike mate ten grondslag aan de Tarit- verrags Verordhung van 23 december 1918, waarin zowel het principe van de Unabdingbarkeit als de algemeen verbindend verklaring werd geregeld. Beide elementen zal ik nu komt bespreken, evenals Sinzheimers onderscheid tussen de oblgatoive en de normatieve funktie van de cao, en het stakingsrecht. Unabeingbarkeit Sinzheimer beschouwde de cao asseen bron van objektief recht. Hetprincipe opgrondwaamaninde regeling zoals hidie wenste, cao-panijenrechtsnormen to stand zouden kunnen bengen, noemde hi Vertragsautonomie Deze au- tonomie beruste niet op het agemene overeenkomstenrecht, maarop uitdruk kelike delegate van regelgevende macht door de staat. De staat zou zuns inziens de autonomie van de cao. moeten erkennen, door haar normateve werking te venenen. Om die normateve werking te efektueren, zou de wet moeten bepalen, dat bedingen in individuele arbedsovereenkomsten tssen gebonden werkgevers en werknemers(Verragsmitgleder) nietg zouden zin indien daarbi ten nadele van de werknemer zou worden afgeweken van de cao. Deze zogenaamde Unabdingbarkeit zou niet aleen ge den ten aanzien van de geogganiseerde werknemers, zoals sinds 1927 in Nedenand het geval ise Ook voor de Verragstremde werknemers in dienst van een aan decao gebonden werkgever, zou de cao. nabdingbar zjn. Door tegenstanders van een dergelike regeling werd ondereer aangevoerd, dat zj niet in het voordee! van de arbe der zou werken, omdat deze zich zes tegenover zun werkgever op de nietgheid zou moeten beroepen, met ale bezwa a dien. He a adako ganisaties overte laten Sinzheimer wistechter op het feit datdecao.verschi- enderechtsgevogen heet: door de norateve werking gaan decao-bepalngen over in de individuele arbeidsovereenkomsten; dat neemtechter nietweg datdecao ze ookinstandblitt, endatcao-pamien(dus devakverenigingen) voo de handhaving enan kunnen opteden. De wize waarop Sinzheimer in Ein Arbeistaritgesetz' de handhaving van cao-bepaingen geregeld wil zien verdient hier de aandacht. In zin systeem ustop deorganisates, pami bi de cao, een publekrechtelike handhavings pücht(Selbstexekution). Zi dienen hun eigen Jeden te dwingen de cao nate even. Faalt de Selbstexekution dan kan een speciaa aangewezen rechterlike instantie(Taritbehörde) de nakoming atdwingen(Taritzwang) door middel van boeteoplegging, of bi bepaungen die daanoor in aanmerking komen, veee exekutie. Andere middelen dan Selbstexekuton en Taritzwang staancao-pan Hen niet ter beschikking, privaatrechtelike aktiestot nakomingofschadevergoe ding zin uitdrukkelik uigestoten als niet passend in Sinzheimers publiekrechte- Vol Kahn-Freund, Hugo Sinzheime: 1875-1945, m Arbesechtund Rechtssoziotoge aw. Arbenstaritgesetz, aw. p. 39ev. Vol an. 12 van de nedenandse Wet op de cao. Menemin zun deze werknemers net aan de cao. gebonden, en is voow hen sprake van een etexwerking, die we de doonwerkingvandecao-nommenin hun arbedsvoorwaarden meebengt, maa geenrechen ofverpüchingen jegenscao paien schept Arbestarige setz, aw, p. 100, vg me betekking tot at 14 van onze We oo de cao:HR7-6-1957 N 1957,527. Arbestarstgesetz aw. p. 112. -28- Taco van Peipe Nke sanktesysteem(p. 162). Welis samenoop mogelik van Taritzwang en een op een aan de cao. ondenworpen individuele arbeidsovereenkomst(pp. 111 136. 150)" Obügatode en nommateve funktie van de cao. Van de nomnateve(unkte, waardoor de cao. de arbeddsvoonwaarden in indti. duele arbeidsovereenkomsten beheerst, onderscheidde Sinzheimer de oblga- toie(unkdie. De obügatode funktie betreft de verbinienisrechtelike verhouding iussen cao-pamjen. De belangrikste verplchiing waarin deze(unkte tot uit- drukking komt is de vredespücht die tidens de looptid van de cao. rustop de pamien die haat hebben aangegaan. Ditonderscheid is in Duistand en andere anheAgeheeesk vadecao in Nederand nam Van Levenbach stoot zich Haersole het onderscheid uit de duise doctrine over herbi aan, maa voege noeee edagoae einga zeggen de gebondenheid van de Jeden van een cao-panj egens de andere cao padtien. Bivoorbeeld deverpchting van een werkgever.Ndvaneencao. pamii, iegenover de werknemersvakbonden, om alleen georganiseerden indienst eeme Naast dergelike zuiver diagonale bepaingen bestaat de diagonale werking ieaeet ook in de(horzontale) cao-bngent betekking iot de arbeidsvoonwaarden. Op grond van die diagonale werking kunnen vakorganisates de eden van de wederpartis rechtstreeks aanspreken tonatein vaeco,ook wat betet deabedsoaaden De dagonae werking is in het nedenandse cao-recht geregeldin an.9. tweede d.Wetop de cao. nde duitse Taritvenrags Verordnung van 1918 kwam een dergelike bepaling echter niet voor. Sinzheimer heet voorgesteld deze lacune op le vulen doom uitbreiding van de normatieve werking tot bepalingen die niet rechtstreeks de arbeidsvoonwaarden betrefen, maar wel verpüchtingen voor eden van cao. pagien(met name werkgevers) in hetleven roepen. Deze vor van'nomnateve werking' zou gesanktoneerd moeten worden niet door nietgheid, maat doom een op kacht van een cao-partis door de vechter op le Jeggen boete. Deze oplossing vond Sinzheime: beter dan de door andeven beplede uitbreiding van de oblgatode werking van de cao. tot de diagonale bepaingen'(n de terni nologle van Levenbach) Zin voorkeur was gebaseerd niet aleen op praktsche maar ook op principiele overwegingen: Nicht der Gedanke der Obugaton dan i atvetrag de vorherschende Gedanke sein, sondern de Gedanke e Autonomie. Das ist alein praküsch innerich gerechtferigt und entspricht den Tendenz der Entwicklung, die den Taritvertrag immer mehr in de Sphäre einer neuen Arbeisverassung Emporheben wird Met de autonomie-gedachte(die hetotcee Enmurt eines Arbestantgesetzes(192) van de Arbesausschus tr e 91a heniiches Arbeüsrecht evenals in het daaraanden grondsag"ggende voorontwerp van Siz heimer is de Taritzwang, voorzove deze zich chtlegen de eden van cao-pacien, bepetkt tot bepangen de mebedoed zin om inindividuele arbesovereenkomsten oes te gaa (k kom he aansonsoperub debesekin adeogaoe edenoateve'unkte van de cao) Arbeusrecht und Rechtssoroboge aw. o1 1 p 197 p. 454 WF.A van Haersohe, De bescherming van de codecheve arbedsovereenkomst doom het recht, Amsterdam 1931. MG. Levenbach, Opmerkingen over de colecheve arbedsovereenkomst,: Arbedsrecht aw. O 133 Das Kemproblem des Tantrechtsreform(1924), m Arbeusrecht und Rechissonooge aw dem, p220 Wat de arbedsvoorwaarden betet kende Szhemne ous geenvechsteese akte meer toe aan de vakorganisates degen de jeden van de wederparl(vgl noot 9la) Wat dat bever zou hanchaving dienen de geschieden ofwe door aktes van adwduele ambedess, o door Selbsiexekuton vanwege de werkgeversorgansanes, of movekt dood Tarlzwang egen de werkgeversorgasaes -29 Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbeidsrecht Herna nog uitvoerger aan de ode kom doe de Sizheime op een deegate door de overhed aan cao pamjen va he admnistatetechteliike(venwal lungsrechtich) toezicht opde naleving van de cao. Naast de oblgatoive en de normateve(unktie onderscheidt Sinzheime: de organisatorsche(unkte van de cao:z schept verpüchiingen van de eden van cao padjen legenover hun eigen ofganisate. De organisates moeten toezenopealen a decodoo hunleden(Sestexekuton) Die ee Zin verpicht zich aan decao.te houden Herdoo oen in ee gee de konkumentieverhoudingen geregeld, dit wil zeggen de konkurente üussen deaangestoten werkgevers wordt beperkt door gelikschakeling van deloonkosen, evenals de konkugende van vakbondsteden op de arbeddsmarkt, vandaan de benaming organisatorsche funkte. in de nedenandse Hieratuur blst de oganisatorsche funktie van de cao onderbelcht. In de geschiedenis van het cao ech buskt deorganisatorsche funkte echter eenbelangrike rolte spelen, bjvoorbeeld in het verband dat destids gelegd werd tussen de totstandkoming van de Ondernemersovereenkomstenwet 1935(konkumentiebeperking door mddel van prüsregulering en dergelike) en de Wet van 1937 met betrekking ot agemeen verbindend verkaring van cao-bepaungen(beperking van de konkumentie op het lerrein van de arbeidskosten) Agemeen verbindend verklaring Omondernisning van de c.ao. door de konkurentie van buitenstaandersegen le gaan, werd in de diskussie over cao-wetgeving(zowel in Duitstand ass elders) de gedachte geopperd de werkingssteer van cao-bepaungen uit te breiden buden de kring van cao-panjen en hun Jeden, zodat in een hee bedriffstak eenzelde regeling met betrekking tot arbeidsvoorwaarden zou gel den Losmar wilde deze werking aufomatsch aanjedere cao. toekennen. Sinz hemer verzete zich daantegen" Zünsinziens zouagemeenverbindend verkla- ng aaeogende vereen o: geenautomatsche uitbreiding, maar eenatzonderikbestuit vaneenonathankelike instantie voor ekke algemeen verbindend verklaring: venegenwoordigers van betokkenen moeten gelegenheid krügen te worden gehoord: agemeenverbindend verklaringmaguitstuttendopverzoek vancao pamtien paasvinden; cao-bepaingen mogen stechts algemeen verbindend worden verklaard in- dien zi reeds voor een overwegende meerderheid in de betretende bedritstak (engebied) gelden. Ideze zin werd de agemeen verbindend verklaring gerege din de Taritverrags Verorchung van 1918. Het nederandse voorontwerp-Aalberse, dat in 1925 aan de Hoge Raad van Arbeid werd voorgelegd, en dasten grondstag ag aan het in 1936 ingediende wetsontwerp, was op deze duise regeing gebaseerd. Ale genoemde elementen van Sinzheimers voorstel zin in de nederandse wet van 193 overgenomen Vol Arbeistarigeselz aw. p 127. Grundzöge 1927. aw p.269 Een sprekend voorbeeld van de organsatorsche(unkte geven de Uuspraken in kon geding 96a van de Pres Rb Amsterdam 17-10-1963, SMA 1963, p 857 en 859, inzake een geschi iussen de Metaalbond(werkgevers) en haar eden AOM en NOSM Ivm hebeanan toesagen aa deee oe de vasgese de mauo(aic werin deca eaasge eendeen a eCoea Biksbemddelaars Kopporatve Arbeusnommenvertrag, aw. ot u. p.297. Arbeistartgeseiz aw. p.206. Ze respektevelik. Hooge Raad van Arbeid, Adwes over een voorontwerp rege ende de Verbindendverklanng van Colecheve Arbedsovereenkomsten. Den Haag 1926.030ev- -30 Taco van Peipe Naar de heessende opvatiing wikt de nederlandse regeling met betekking to' agemeen verbindend verklaring(avv.) niettemin in een belangrik opzicht atvandeop Sinzheimers opvating gebaseerde huidige duitse regeling(Taritver tagsgesetz 1949) Het betet de waag ofcao pamien nade askondiging van de agemeen verbindend verklaring nog vris zin hun cao. te beeindigen of te wizigen Sinzheimer meende dat hun die vriheid moest worden gelaten, zulks geheel in overeenstemming met zin opvating over de aan de organisates van he bedriffsleven toe le kennen autonomie Stakingsvriheid Devrisheid van kollektiefonderhandelen over arbeidsvoorwaarden veronderstel! het bestaan van stakingsvriheid. Sinzheimer sielde zich dan ook op hetstandpunt dat de stakingsvrisheid erkend moest worden: Der Staat dart den Arbeits- kampt nicht hindern well er ein Arbeitskampfist."O Het bestaan van die vriheid implceer echter niet dat een staking nooi verboden kan worden, staken kan onechtmatg zin, netzo goed aspianospelen of fetsen.'Ook kaneenstaking meonrechtmatge handeingen gepaard gaan, zonde dat de saking ze daar door onrechtmatig worct." Tussen stakingsrecht en cao-recht bestaat ook nog een ander verband namelik de vedespücht die tidens de Jooptid van de cao op panden rust Naar de heersende opvating in Nedenland is die vredespücht in beginsel slechts eenrelatieve, dat wil zeggen alleen akties gerichttegen bepalngen van decao Sinzheimer, die de vredespicht als eenessentieelonderdee zinongeoonootc van de cao ziet isvoor deze opvating opgekomen. Met de mening dattidens de looptid van de cao automatsch een absoluse vedespucht zou bestaan, heet hi alin 1909 naar aanleiding van een agemenestakingin Zweden grondic ageeke Die(dee der sozialen Selbstbestimmung Sinzheimers boek over de cao. ut 1916 draagt as ondertiie!: Die(dee den sozjale Selbstbestimmung im Rechf. Het stothoofdstuk is atzonderik aan dit Weisoniwerp inzake avV, Bi1. U 1936/1937, nr. 274(met name MvT. p. 6): Wet van 2 me 1937, Sio 801 Hedeeohomsagnveverka wasook Nederand allang i diskusse, zie noo 86a De heersende opvating in Nederland gaat van het tegendeel ust. Hoewe hete ve' zou gaan deze kweste her voledig u' te ciepen, wi sk toch enkele argumenten noemen de egen de heersendeopvating pleden i de eerste plaas hete da de nederandse egeing op de duüse van 1918 ss gebaseerd; in de tweede plaats de tekst van de Wet van 1937 an2laatnheimidden of deavvook de geoganseeeni eo dee slen doo decao eeo i en at7noem udrukkek dekhan in van de cao na avv;lenstote zou de heersende opating getoest moeten worden aan herin vercragen vastgelegde beginsel van de onderhandeingsvritheid, met name aan het Euopees Socaal Handvesten de[L0-Conventes nv 87(Stb. 1949.J538) 98(TTbI 1979. m. 79) en 154(Tro 1981.242 en 1982. 99) Zie over dexe(ook i Nederiand, as Vertags- vs Gesetzestheone bekend staande oskusse: S Mok. Het agemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalngen van colecheve arbedsovereenkomsten. Haatem 1939 p 41 ev,LG Korenhorst en Mac M. van Rooy. De colecheve arbeidsovereenkomst. uncischen economsch-socaal Zwole 1939,p.120ev.WJP.M Fase Caowecht Aphen aan den RU 1982. p. 95 ev: HR 16-3-1962NJ 1963222 Grundzüge 1927. p. 283 dem p 87.p 290He probleem a hebesaan an eogsche n de vechlerlike macht legen de staking(anders dan by pianospelen of heisen) wordt dood Sozhemne vokkomen genegeed bidem Vol de Uispraak van Pres Rb Amsterdam(13-5-1980. NJ 1980. 403) inzake een poomblokkade by Mobw Vol M.M Obbers, Vedespucht- en openbreekcausules, SMA 1982. 0 7: 7 van Peppe. He stakingsverbod iegen de Ronerdamse stepers Recht en Knuek 1979. p. 412 Generalstekk und Taritverrag, 1909, m: Arbeusrecht und Rechssoxooge aw -31. 100 102 103 104 Hugo Sinzheimer en het nederandse arbedsrecht thema gewid. Hee kon samengevat komtde gedachte op het vogende neet. De wetgever kan niet snel genoeg inspelen op bepaalde maatschappelike veandenngen. Ook het gewoonterecht blistt achter, wannee die veranderingen Zich in snel iempo voltrekken. Daarom moet de scheiding worden opgeheven iussen de krachten waaruit het arbeidsrecht ontstaat(Techtserzeugende Kratt en de wetgevende macht(rechtssetzende Kratt), dat wil zeggen e moet van overheidswege een bepaalde delegate vanrege gevende bevoegdheden plaats- Vinden.s Deze soziale Selbstbestmmung, die bj gevestgde organsates de vom van Verbandsautonome'(Gierke) kan aannemen, komt bi de cao. tot usiing in de vorn van„Verragsautonomie, dat wi zeggen rege geving door mdde vaneen doororganisates gestoten overeenkomst. Eenbelangriike tunktie van deze soziale Selbstbestmmung is hierin gelegen, dat zu de eenzidge wisoplegging doo de werkgever en aanzen van de arbedsonwaardenvor mng doorbreeke Het autoomiebegrip in het arbeidsrecht heet in Nederland tot een diskusse geled, wan ook Sinzheimer een o heet gespeed; daat gakknuopin. 6Sinzheimer en de nederlandse diskussleoverhetautonomearbeidsrecht De betrokkenheid van sociale organisates bi de voorbereiding en uitvoering van socae wetgeving, zoas het nedenandse arbeidsrecht die seden de eerse were doorog kent(Hoge Raad van Arbeid, Bedrifsverenigingen, Bedritsraden vormnt een veelbesproken thema. Levenbach noemde i 1934 as éen van de kenmerken van het nieuwe arbeidsrecht: het zelt-doen door paritetsch georganiseerde belanghebbenden" Het autonome arbedsrecht werd voorwerp van een fele kontoverse,e toen Molenaar in 1927 in zinoratie Bronnen van arbeidsrecht een nieuwe en bovendien pohtiek geladen opvatting lanceerde Molenaar ste de tegenover ekkaat het heeronome hootdzaak door deoverheid bezorgde arbe dsecht, en het autonome arbedsrecht, dat in zin vsie ades omate wataan andeoe ontsproot individuele arbeidsovereenkomst zowel as decao, en ook de ge woonte ende rechtspraak(en aanzien van dit aasste was Molenaar niet hee maal duidelik) Het autonome arbeidsrecht bezat vogens hem een hogee zedelike waarde dan het heteronome, waarin hi de geesel van deundormiteit en de lasso van den dwang veesde. Het klonk as de echo van de waarschuwingsroep die het Verbond van Nederlandse Fabrikantenvereenigingen enkele jarenlevoren had doen hoven in haar brochure De Teugels gewerd' De staat tede lerug va he tegein waarop hi'e onzalger ure de voet te ver vooruit heet geschoven een brochure, geschreven door haas sekretars mr. A.N. Moenaar Levenbach reageerde hierop zeer kritisch. Hiiverweet Molenaat het gebrusk van een vaag en inhoudstoos autonomiebegrp. Zjns inziens was het begup Arbestartgesetz, aw, p. 186 dusmi deze de gedachte asvematinhetcoor nederandse 105 sociaaldemokratenin de pbo-dskussie gehanteerde begrp'urktionetedecenta"sate een begup dai Smzheimen ook in zun beschouwingen over deadengedache verwerkt heen zo zeghohv overeen inie stelen Economsche Haad: Drese Gesamperson sol enlunknoneder-nichtlerrmoraler, wenn auch dezentalsiener-Selbstverwalungskorper mtt egenen gemeschatiche Angelegenheden und übertragenen staatichen Betugossen sei Grndzüge 1921. aw. P. 48 Arbeüstaritgesetz. aw. p. 196 100 De Wetop de arbedsovereenkomsten hetnieuwe arbedssecht,. Arbedsrecht aw. p 163 Molenaat heet ateeensamenvating van deze oskusste gegeven waarn hi ale betokke108 nen uiivoeng aan he woord aat komen m: Arbeosrecht aw. d.1 pp375-417 -32 Taco van Pejpe "autonome zoas onder meer b[ Gierke voorkwam, sechts op due of ver an beidsrechteliike verschinselen toepasselik: de pbo, het vakverenigingsrecht, de konwaktsautonome van vakverenigingen en desnoods decao, zoals by Sinzheimer We in die gevallen was er volgens Levenbach bovendien geen absoute legenstelling tussen hetautonome enwat Molenaar noemde het heteronome abeseh E inimers vee ovegang ae verbindend verkaardecao-nor en aan goedkeuring door de overhedonder worpen pbo-bestuiten. 8i de kriüek van Levenbach hebben Mok en F. van de: Ven zich aangestoten. Sinzheimer mengdenchin deze diskussteinzinleddse oraue DeAchtergrond van het arbeidsrechf: Ik laat daaruit hier een vris lange passage volgen, de de kern van zin autonomie-begrp goed weergeett. Tevens bhikt er utt hoe diep Sinzheimer zich sinds zin komst naar Nedenand tweeeneenhalf jaar levoren hadingewerktin de nederandse rechtstiteratuur. Hetarbedstecht toont aan, dat het legenover ekkaav steden van vechtsgezag en saatsmacht waanan Krabbe uügaat onhoudbaar is. Het moderne arbeidsrecht steunde tot de beide ascisusche revoluties in Hale en Duitschand, in ale beschaatde anden op tee pülers: het vrie colecheve arbedstechten hetvanoverhedswege vasge sielde arbeidsrecht"Beide hebben hetzetde doe, maar gaan twee verschiende wegen naa dit doel In het eerste geva komt de rechtsregeing to siand door cohecheve samenwerking van vie maatschappelike krachten, in het teede geval door eeningrippen vanstaatswege. Zonder de colecheve arbedds overeenkomst met zin vrie vakvereenigingen van werkgevers-en werknemess zude, kan men zich de ontwikkeling van het moderne arbeidsrecht evenmin denken, als zonder abeidersbescherming en arbe dersverzekering Daarbi zin debe de machten, die hier werken, de sociale macht van de coßecheve krachten aan den eenen, de staatsmacht aan den anderen kant-zooals vooral Levenbachineenknappestudie heet uiteengezet- onverbrekelik met ekkaarverbon- den."Devrisheidvanvakorganisatie en hetrecht van de colecteve arbeidsover eenkomst steunen beide op door den Staat gevord recht, evenals het doom den Staat gevormd recht van colecteve rechtsvormen gebrusk maakt. Datis niet toevalig. In een maatschappi met een"heterogeen milieu" om een begrp van Prof. Bonger le gebruiken—iseenrechtsvorming, die zich slechts dieci votrekt, niet meer mogelik. In een heterogeen mitieu is door den Staatgevomnd rechteen maatschappelikke noodzakelikheid. Heivenegenwoor. digt de maatschappelike eenheid en de vriheid tegenover eenzidge groeps en machtsbelangen." Dergelik recht is niet alleen"neutaal"recht, datop een "Fahrplan" gelikt, zooals Can Schmitt meent in zin bünden strüd jegen den Rechisvinding in het arbeidsrecht, i: Arbeiosrecht aw, p 102 ev Dat Levenbach den 109 aanzen van detoepassing van hetautonome-begupop decao.lenughoudendes was dan Sinzhemer heet mi de maken met eenreedseerder(zie hiemoor, pa.5.onde ob gaoe en nommateve Junktie) gesignaleerd verschl uussen he posttieve nederandse cao-recht en Sinzheimers(n Duustand den dele gerealseerde) opvatungen Het nedenandse cao. vech soo mee aan het verooenissenrech(met name voor de Wet van 1937) en Sinzhemmer van meet at aan aanstuling zocht bi he adminstanet recht. O" kwam tof Udrukkingin zun voorsielen met betrekking lot de rol ce cao-parjen ass pubwekrechielike Verwaltungskorper zouden moeten spelen bi de handhavng van cao-bepaungen Vgl Arbenstartgesetz aw. p. 127 ev S. Mok, Arberosrecht Amsterdam 1936.p 35ev. FJHM van der Ven. Van socale polnek 110 tosocaa rech(1943) m Arbeosrechtelske opstelen aw p 12 ev Sizhemnen Ono von Gierkes Bedeutung tur das Arbedsrecnt, m Arbedsrecht 1922 p 1 ae!1 ev, 4 Rechiswinding en Arbeicsrecht, in. Rechtsgeleerde Opstelen aangebocen aan Prot At. 112 Paul Schoden. 1932. p 301 ev Sizhemer. Een Theone van het Socale Rechl, in: Mensch en Maaischapp 1935 321 113 ev. vooral p 418 ev. 426 ev. -33 Hugo Sinzheimer en het nederlandse arbeidsrecht vechsstaat"" Zulk recht verult een bepaalde staatstaak in dienst van sociae vechswaardenDaaromkomteeneenz dige autonomisme datden Staatatwist. op den duun evenzeer in stid met de maatschappelike noodzake kheid, ass een eenzjdig étausme in den zin van den totale Staat, dat geen mensche ke gemeenschap haast zich duldt Daaromishetechter eveneens onmogelik. éen van beide wegen een zede iken voomangle vereenen, zooals Mr. Molenaarlen gunste vanhet"autonome arbeidsrecht“ gedaan heet." Of een van beide wegen zedelik de voorkeur verdient, kan niet door een beginse maarstechts door den aacden den inhoud van zin werkzaamheid worden bepaald. kkgeloof, dat Hamaker meteenvoudige woo eduidekst dere edachen ugesproken heet seendualsme van recht en van Staat tezamen beheerschen zi, ekkaav nu steunende en aanvulende, dan tegenwerkende, de mensche ike samenleving Ook Van Esveld heet aan de diskussie deegenomen. Zinsinziens was en weinig verschil iussen wat Molenaar en wat Sinzheimer gezegd had, tenwi! de opvattingen van laatstgenoemde zeer sterk zou verschilen van die van Levenbach)" De zojuist aangehaalde passage(waaraan Van Esved voorbjgaat) ogenstatt die mening. 7 Voorbouwen op Sinzhelmer Sinzheimer heett de fundamenten gelegd voor de beoetening van de arbedds vechtswetenschap. De vruchtbare toepassing van zin ideeen door zin briljante eering Kahn-Freund(en-- vaak onbewust-door vele anderen) bewizen de waade van zin werk. Onder het moto Buiding on Kahn-Freund isonlangsin Engeland een bundel opstelen verschenen, waarin het werk van Kahn-Freund wordt geanalyseerd, en waarn met gebruikmaking daanan vecente ontikkelin- gen in het arbeidsrecht en de arbeidsverhoudingen worden onderzocht Een van de opsielen bevat de inhoud van de zesde Sinzheimer-ezing, die in 1981 in Frankturt werd gehouden. De drie schrivers van deze bunde geven hethaaldelik blkk zich te realseren hoezeer zi levens bezig zin voort te bouwen op het werk van Sinzheimer. Sinzheimers werkwiize en zin begrippenkader kunnen nog steeds een richt snoer zin voor wie het arbeidsrecht wi bestuderen, topa en utbouwen, Utgaande van een analyse van de maatschappelikke werkelikheid. Vooral Zin inzicht in de in het arbeidsrecht bestaande kombinate van klassentegenstellin gen en op samenwerking gebaseerde gemeenschapsbetekkingen is daarbl vanbelang Datinzichtis miins inziens nodigomtevermiiden daisocaapoltieke herormningen geteid worden door Musies met betekking tot de verzoening van kassentegenstelingen. Dat gevaar zie ik namelikk inde soldanistische gemeen- schapsopvattingen die in sociaa poltieke diskussies over medezeggenschaps vecht, loonpohtiek en sociaal-ekonomisch recht naar voren komen. Dergelike opvatingen hebben in Nederland vooralin dejaren 1945-1960 desociale poltiek Was bedeutet de: Sten um den Rechtsstaat"? i. Zeuschntt tur die gesamie Staatsws114 senschat. 1935, p. 189 ev Bronnen van Arbeidsrecht. 1927. p.6 115 Boekbespreking van Krabbes Lehre von de Rechtssouveranuat, in Themus 1907. p 116 157.168 ook m Versprede Geschoten V p 394 ev 404 NEH van Esvedd Deontpiooung aw p 245 ev. Lord Weoderburn, Roy tews Jon Cark Labour Law and idusnal Relaons Buton on 118 Kahn-Freund Oxford 1983 Kahn-Freund zes gat zeet hoogop van Sozhemness waade er beiekens voor zun egen werk, ze naas' de de mewding van d' arike genoemde nterwews vooaook Kahn-Freunds omvangrnke merding to' de genoemde bundes Arbedsrech und Rechssorologe getield Hugo Sozhemne:(1875-1945) 34. Taco van Peipe beheerst(geleide loonpoltiek, ob.o.), en komen ook nu voor. Dat de vechtswer keliikheid in het arbeidsrecht en het sociaal-ekonomisch recht nies attid beant woordt aa de venwachingen waarust de rechtsregelngen zin voorgekomen, en dat met hame in krisistid machtstaktoren binnen het recht(bivoorbeedd de opvatiingen binnen de rechterlikke macht) en daarbulien(bivoorbee dekonomi. sche machtvan ondernemers) die venwachtingen kunnen trusteren, heet Sinz hemer zest ook enaren. Das Arbeüsrecht setzt eine Wirschatt voraus, in den sich die vorhandenen Produktivkrätte enttalten können und die Bedürtnisse det Menschen durch Ihren Entrag beftiedigt werden. Die bestehende Wirtschattsord- nung enüht diesen durch das Wesen der Wirtschatt selbst gegebenen Sihn heute nicht mehr, zo stett his vast in 1933 bü het 20 anig jubdeum van het door hemzelt meeropgerichte tidschritt Arbeitsrecht"e in verband met dit gegeven beplest Sinzheimer een henorming van het ekonomisch recht, datnogte zeen op het burgerik recht is atgestemd: Damit ist das Problem des Arbeüsrechts zum Problem der gesamten Wirtschattsordnung geworden. Eine Erneuerung des Arbeüsrechts ist ohne Erneuerung dieser Wirschattsordnung nicht mehr möguch. nzicht in de samenhang fussen ekonomische orde, arbeidsrechten socaal ekonomisch recht is nodig voor het ontwwikkelen van een rechtspoltiek programma op die temein. Ook voor het iot stand brengen van dai inzicht heet Sinzheimer bouwstenen aangedragen. Sinzheimer was een belangrik-niet astid suksesvol-socaat henormer, geenszins revolutonal, eerder behorend oe meeehoudee veuge van de duise socaadeokate Zin poltieke opvatingen kunnen bekritiseerd worden zonder atbreuk te doen aan de waarde van zin wetenschappelike inzichten. Veel meer nog dan poutikus was hi een manvan de wetenschap, die zin devies'iamimpendere vero zoensig nam dathedendaagse beoefenaren van hetarbeidsrecht zonder hinder van hete ders welg derend onkruid van het poltieke vooroordee, op het door hem bewerkte derein kunnen bouwen. 119 De Kasss des Arbeüsrechts, m Arbeüsrecht und Rechtssorwoboge aw. p 135 120 SCem.p 141 -33 HUGO SINZHEIMER: THE ENTERPRISE AND THE ORGANISATION OF RESISTANCE David Kettler (Lecture presented at the commemoration of the 50th Anniversary of Hugo Sinzheimer's inaugural lecture as Extraordinary Professor of Legal Sociology at the University of Amsterdam. Agnietenkapel, 7 November 1983). In Franz Neumann's analyses of the juristic symptoms of fascism, he presents Hugo Sinzheier as a foremost proponent of the"institutionalism" which also marks fascist jurisprudence, especially in its rationales for the administrative destruction of the free trade union movement."Institutionalism," as Neumann presents it, replaces the individual legal personalities, whose wills constitute the primary legal relationships in Hberal legal systems, with members in constituted communities, whose legal clains and duties somehow derive from the objective character of those communities.(1) Contract gives way to status. The fictions of free legal subjectivity are displaced by the fictions of organic community and fellowship, at the cost of legal claims to equality before the law, as well as the visibility, if only in disguised forn, of the powers of property. These legal conceptions were most strikingly deployed in labor law during the Weimar years, according to Neumann, where the relationship between workers and entrepreneurs was characterized in the works-council legislation and construed in case after. case as association in an enterprise-commmunity (Betriebsgemeinschaft), having a common enterprise-objective(Betriebszweck whichnposed privlleges and oblgations on the participants. Neumann points out that this conception ignores the fundamental social divisions between labor and capital and provides the central ideglogical theme in the National Socialist legislation on the organization of national work, establishing the"Fuehrer" principle in all enterprises and reducing workers to the status of dutiful vassals. Paradoxically and tragically, he maintains, all refomnist socialist and trade-unionoriented legal thought inclines towards"institutionalism," without of course meaning to help bring about their own lquidation. Hugo Sinzheiers adaptation of ideas from his teacher, Otto Gierke(initially in order to justify the claim that collective labor. agreements(Tarifvertraege) are a social source of law superior, to the indiidual contracts of employment (Rechtsquelle) (ienstvertraege), notwithstanding the fact that only the latter had any standing in the eyes of the Gemman civil code(BGB)) appears to Neumann asaprime source of ideas conducive to institutionalism, and an intluential support to the legitimacy of such ideas in the labor movement.(2) 2. Neumann is certainly correct in his assessment of the important place which the legal fiction of the enterprise-community assumed in National Socialist labor law and in the connection between the"Institutionalist" lega! doctrine which sustained that fiction and the themes pervading Weinar labor law. A younger -36 David Kettler contemporary of his, Otto Kahn-Freund, had already pointed out in 1932 the affinities between fascist ideology and the doctrine inplicit in the decisions of the Weinar, labor courts, and he had also voiced his misgivings about the effects of Sinzheiners recourse to notions of"social law" and functional determinants of Oh the ceremonial occasion marking the legal clains, and oblgations. incorporation of the Gemnan legal profession into the National Socialist Association of Jurists in the fall of 1933, the long-time president of the highest labor court proudly told Hitlers justce-commissioner that the labor court, with its doctrine of the enterprise-community, hadled the judicial system in pursuing the objectives now so brilliantly embodied in the great National Awakening, under the banner of the Fuehrer. But Justice Oegg, speaking amonth before the occasion we are here gathered to commemorate, did not cite Hugo Sinzheimer as an inspiration. And this was not only because Sinzheiner was already an outcast, as a Socialist and aJew. Sinzheiner was a founder of the Association of Republican justices and Editor of its journal, Die Justiz, a stubbornly dissenting voice, detested by the conservative juristic profession. Sinzheiner had, moreover, forcefully objected to the doctrine of the enterprise-community since the time of its first enunciation by the Gemnan Hüigh Court(Reichsgericht) in 1923. Amajor objective of his 1927 book on the fundamental principles of labor law is to show the fundamental difference between his conception of a labor law, which he presents asa social and collectivistic advance on the obsolete individualism of the German civil code and the ideological distortions of this basic idea.(3) If Sinzheiners conception of the law can be said to have been"nstitutionalist" at all, it was so in a way very different from that of the courts; it presupposed the organized resistance which the Weimar courts sought to hamper and their successors, ess scrupulous, brutally repressed. The Gemnan courts during the Weinar years employed the concept of "enterprise-commnunity" most notably in decisions relating to the payment of wages during temporary closures of enterprises. Like the Burgerliike Wet(1638d), the BGB provides for an exception to the rules nomnally governing reciprocal contracts (gegenseitiger Vertrag) when those contracts are contracts of employment. While a fallure to perform the contracted services due to factors making the employee unable to perfo w nonally siply excuse the perfomnane(323)-- leaving aside provisions concerning temporary illness, etc.--an inability on the part of the employer to utilize the services(Annahmeverzug) renders him Hable for the payment of wages contacts, for any cos produced by a delay in acceptance, without requiring the employee to make up the omitted perfomnance(615). Gemnan courts after the First World War faced a series of cases in which they were asked to decide which of these clauses applies where the perfommance is rendered impossible by the effects of labor conflicts in which the claimants for wages is not directly involved. I a series of decisions, beginning with a judgement of the highest court(Reichsgericht) and continuing through decisions of the labor court(Reichsarbeitsgericht), after its establishment in 1927, the Gemman courts came tood tha hod o edecided y dogmatic explication of the two clauses but by reference to the sweeping general provisions concerning"good -31 Hugo Sinzheimer: resistance faith"( Treu und Glauben, 242). The decision of the highest labor court doctrinally culminating this line of development said,"The individualistic point of view which was detemninative of employment relatonships at the beginnings of the Gemnan CivII Code cannot claim today the significance which it had at that time, because the idea of a social labor- and enterprise-comnunity has in the meantine been recognized and established in legislation as well as in juristic science." (Reichsarbeitsgericht decision of June 20,1928) The initial case in the sequence involved non-striking tramline employees whose work was shut down by a strike in the company's power works. Here the court still attempted to cast its decision in the fomn of an interpretation of the clauses on inability to performn, but the reasoning depended on the notion of an enterprise community. All of the contracts of employment are said to be grounded upon the colaborative effort of all members of the enterprise-community; when this necessary precondition is not met, the contracts are to be taken as unperformable by reason of the kind of general circumstance which the Gemnan CIvII Code subsumes under its paragraph 323 and the employers excused from perfommance.(4) As a practical matter, the subsequent judgements were more often controlled by reasonings associated with the so-called labor-commnunity, involving a notion of imputed soldarity between strikers and non-strikers and exempting employers from Hability for wages where the inability to accept the services of employees whlling to work was due to a strike or other labor-action, but the linkage between this concept and the notion of the enterprise-commnunity served to obscure the curious imposition of class-solidarity on all workers regardless of thein subjective dispositions or individual interests and to provide a generalized ideological justification for this refusal to apply legal provisions precisely intended to deal with the issues. The Gemnan courts swept wide. An especially striking decision denied the clains for wages made by higher offce and supervisory personnel rendered unable to work by a lockout of the production workers in a textile plant because of strikes elsewhere in the industry and a decision by the trade association to resist by this means. But our interest in the problems of assigning hability in these cases is not in their direct effects on the state of labon relations, tempting as the topic might be in the light of present circumstances in the Netherlands and the presence on this platfomn of Professor van Peipe(who has recently written on the subject). Uhlike the Dutch decisions in this field within the last decade, the Gemnan decisions assumed importance by virtue of their rationales mnore than by virtue of their outcomes. In the general crisis of legitimacy of the Weimar republic, where concepts of pluralism and democratically-controlled group conflict were seen by many as breaches of public order and a threat to the state, the generalized reasonings of the court were read for their larger ideological implications and had effect at that level, in conjunction with decisions holding all strikes on behalf of organizational objectives, including attempts to secure reinstatement of employees dismissed for union activities, as counter to good morals and therefore illegal. The concept of"community" and the related"communal" criteria of good mnorals were deployed to weaken the legitimacy of class-organization. Even the curious and long-lived doctrine of inputed solidarity among workers, still controlling presentday Dutch and Gemnan law in conjunction with the notion of"spheres" first enunciated in the German decision of June 20, 1928, serves to make distinctions of organizational affiliation and loyalties irrelevant.(5) It may be quite proper that this receives scant notice in the Netherlands today, where the courts' capacity to -38 David Kettler condition the temns of public debate appears slight and the helps they contrive to reach pragmatically balanced results interest few. The doctrines seemed to matter alot more in Weimar, and rightly so, asthe subsequent epoch showed.(6) Sinzheimer reacted to the doctrine of"enterprise-commnunity" in a numben of professional opinions for trade unions as well as in more theoretical writings. His basic argument in the opinions is that the courts had mistaken the law by applying an implausible social analysis under cover of the general clause on"good faith" to something that should properly be treated as a straightforward case in contracts. He denied, first of all, that the parties associated within an enterprise could be considered as being in community with regard to anything to do with wealth. The co-participation established by the works-council-egislation has only to do with questions concerning the treatment of labor; wider moves towards economic community have been aborted, and could not, in any case, affect the point at issue here unless they had actually progressed to the point where the conflict of economic interests between workers and those for whom they work no longer subsisted. The reciprocal obligations concerning the exchange of wages fon work arise out of areciprocal contract(gegenseitigen Schuldvertrag) as provided in the ciwil code; there is no contract of assocation(Gesellschaftsvertrag). I consequence, there is nomore reason for an employee tobear any part of the risk involved in the entrepreneurs pursuit of profit than for a supplier who delivers goods as per contract atatime when the goods cannot be utilized. As far as the supposed work-community among the employees is concerned, Sinzheimer maintains that they are unified in law only by being subject in common to the authority of their employer; they have no common oblgations. It is the power of the employer that forms the whole which the court mistakenly treats as a collective legal actor. The workers cannot control one another at work and they cannot be held responsible for each other's actions. A fortiori, workers cannot be held responsible for the conduct of employees in other enterprises or even industries. I sum, Sinzheimmer rejected the doctrine of imputed soldarity and "spheres" as well as the doctrine of"enterprise-community." And he warned:"One can see.. the upshot of adjudication which no longer orients itself to the law and its principles, but to social relationships, as the judge imagines them to be..Ithis development continues, it will soon be possible to say that we have labor law indeed, but that it is only vald to the extent that the judge considers it to be reconchlable with the principle of good faith, ashe understands it."(7) These are intelligent legal arguments. But Sinzheimer was syndicus for the Free Trade Cnions(ADGB) and it was his job to deliver effective legal arguments on issues affected the vital interests of mnember unions. One of the professional opinions attacking the courts doctrine in these cases was provided to a union faced with shop-closures resulting from the breakdown of markets during the RuhrBoycott and wanting to claim wages notwithstanding the doctrine of enterprise. community, and the other was given to the trade union of supervisory officeworkers, interested in being excused from the supposed labor-commnunity when there is a strike of production-workers. Neumann, moreover, was working together wich Sinzheimer during a number of these years(as he indicates in dedicating his 1932 book on the legal status of trade unions to Sinzheiner) and certainly knew his -39 Hugo Sinzheimer: resistance position on this specific controversy. The question remains whether Sinzheimers advice on these matters rested on a coherent position different in principle from the vaque invocation of"social" reasoning whose consequences he so vigorously attacks here, or whether his insistence in these cases on the contract law of the Gemman civil codc and his dismay at the Iberties taken by the judge simply confirms the more general thesis advanced by Neumann and others, that the type of jurisprudence characterized by institutionalism and the recourse to general clauses is completely politicized and lacking in inner rational structure. Sinzheimers social analysis of the civil law in its effective functioning took over from Gierke the conception of the employment relationship having more in common with an institution of interpersonal dependency and domination than with a contract of exchange. But his theory of the institution he derived from Marx, by way of Karl Renner. The power of domination attendant upon property in a capitalst society is acknowledged, but it is not recognized as more than a transitonal authority. The authentic law of the relationship is generated by the resistance of those subjected to the power in question; it is not a function of the dominant power. It is a provisional constitutional structure established by agreement,either for a stated tine or in an intermittent process, and it registers the various stages towards full democracy, when the functions of direction and coordination will be performed without reference to property. Its center and paradigm is the collective This law is the labor law. agreement. Its temns consequently depend on the comparative weights of the contesting powers at a given stage, taking into, account all of the resources pertinent to a power contest within an institution whose productive functioning is essential to the survival, let alone the well-being of society. As long as the organization of labor is not strong enough to organize production, it must deal with an employer who is a proprietor. As long as it must deal with such a proprietor, it must have full benefit of all safeguards provided by the fommalizations of contract law, the old fomnalzations of the civil code, now perforning new kinds of functions, as well as the new laws of participatory councils and collective agreemens. The social constitution of work, like the political constitution of the state, must comprehend a diversity of relationships among the same set of actors, and there is no rule of consistency about the structures of these relationships. Simmels brilliant inventory of the plurality of social figures is contemporaneous with Sinzheiners first interest in sociology. Gierkes treatment of early law, and especially his work on Althusius, also iluminates the possibilities of pluralism. What Sinzheimer adds to this is the notion of a dynamic constitution, integrating themix from tie to tine but also encouraging it to change. This is certainly not Marx's theory of social or political change, since it stresses successive and cumulative reorganizations of ongoing social functions, including production and al ordering,rather than revolutionary break and anew starting point. But it is also not a theory taken in by Hlusory homogenizations and romantic spiritualizations of exploitative power relationships. At least not as a rule. Sinzheiner is enthusiastic about the new labor law and about the potentialities of the social and political constitutions established in 1919. But he never loses sight of the fact that they are possibilities and not completed achievements. Thats whatmade hin a tough lawyer committed practically to the -40 David Kettler organizations whose power he considered essential to the actualization of the constitution-- what in American labor law is called'managing the agreement" and preparing for further movement. This commitment to the power of the trade unions and, to a lesser extent, the Social Democratic Party increasingly distinguished hin from the Aberal socially-minded refommers who were often his allies against left and right in his constitutional designs, taking constitution both in the extended sense appropriate to his view of labor legislation and in the narrowen sense appropriate to his work on the Weinar Constitution. But it is an essential complement to his conception of those designs and his hopes about their eventual consequences.(8) A striking ilustration of this complementary, relationship between Sinzheimers theoretical conception and political activity in the broad sense bears directly on the issues raised by Neumann's critique. Even if it is granted that Sinzheimers social analysis of institutions differs, profoundly, from the institutionalism easily adapted to denials and suppression of social conflict and that the difference is by no means simmply a matter of political or organizational opportunism, it seems even more clear from the presentation of his curious "constitutionalism" that much law will have to be made by judges. And the conception of judges free to make laws is inseparable from the flght from specific legal nomns, comparatively constraining upon judicial procedure and decision, to "general clauses" concerning procedure and substance. Sinzheiner accepted that connection, although with mounting discomfort. He vigorously fought for informal proceedings in labor courts, based on the practice of the pre-war commnercial courts, a strange mix of administrative hearing and mediation, and he provided Iimitless space in Die Justiz for Ernst Fuchs'advocacy of anenthusiastic version of the"free-aw" doctrine. But he qualfied his agreements in both instances. His campaign with regard to labor courts concentrated on the need to separate them completely from the judicial system at the level of first instance and to give a major role on the courts to lay assessors drawn from the organizations of labor and ownership. In association with successive ministers of labor and with the representatives of the ADGB he carried this fight through years of delberations in the ministerial committee on the unification of the labor law, of which he was a member, and he also played a leading part in opposing attempts by Gustav Radbruch, during his brief tenure as Minister of Justice, to sway the Social Democratic Party from this position. The support for free-law in general was qualified, first, by aconstant if not always consistent insistence that rigorous legal-scientific analysis of doctrine had to precede any consideration of larger social considerations that might properly be invoked in a legal case, and, second, by the requirement that the makeup and dominant ideology of the judiciary would have to be rendered more consistent with the newly-established constitution before their range of free discretion could reasonably be expanded. That was the point of his leading role in the Association of Republican justices and his determined campaign to require governments to counter the"crisis of confidence in justice" by democratization of legal education and the courts. The Association of Gemman Justices(Deutscher Richterbund) bitterly -41 Hugo Sinzheimer: resistance fought Sinzheimer on both complexes of issues. The contest more directly pertinent to our present interests concerns the character of the labor court. This was the issue which delayed enactnent of the legislation for six years, as judicial officials and groups combined with representatives of business interests to demand incorporation of the labour law into the work of the ordinary courts, or at least full integration of labor courts. The legislation finally secured by the stubborn insistence of Brauns, the priest who was minister of labor for all but two years of the Weimar Republic, the trade unions, and the small group led by Sinzheimen satisfied the most inportant denands of organized labor. In a furious, last-ninute attempt to block its enactment, the head of the Association of German justices, a judge of the high court, maintained that the division being created between civil law and the law of labor was coming"at a tie which needs synthesis between them more than any in the past" and at a tine which gives the mnost promising signs that the legal profession, as well as the general public, is coming to recognize"that work does and must represent the kernel and essence of all life." Labor cases are making the courts in generalmore social-minded: We have departed from the overly logical and abstract way of thinking, intluenced by a misunderstood Roman law; we are mnoving towards an understanding of law as something biological, a section of lfe as it is lived, and towards a comprehension that law and equity are inseparable. With this, we are leaving the narrowly civilistic point of view and granting the social idea its rightful place.. The spirit of all-German fellowship is to take the place of Romanist individualistic egoism.(9) Al this is being disrupted by the decision to give labor its own separate courts, in which the harrow class interests of labor, according to Justice Reichert, are bound to predominate. The whole vocabulary of the"social" interpretation of the labon relationship and"enterprise-community", as well as the shining example of the 1923 decision on Betriebsrisiko are turned loose against the legislation which Sinzheimer, mistakenly as it unfortunately proved, welcomed as the beginning of a new day for labor, a triumphant confimnation of his overall conception about labon andthe law: Out of the dark corners of a law indifferent to the masses of working people, a law and a way of proceeding have now emerged, which shed the Hght of full legal worth upon the masses. This law would never have come about without the struggle, the effort, the sacrifices, and the growing power of the labor movement. The developments in labor law show more clearly than any other legal field that the dynamic approach to law is correct. The new state of the law hasnot come out of juristic theories and dogmatic learning. The new state of the law is the precipitate of the mighty social movement, it is the fomnal recognition of an actual power. (10) Changed conditions undemmined that power, and Sinzheimners hopes proved illusory. But it is not claimed that Sinzheimers political judgement was unerring or that his theory is infallible. A theory which respects the freedom which prevails in the political domain cannot offer prophecy. The question is whether it provides insight. -42 David Kettler The question before us is by nomeans, absurdly, whether Sinzheimer was in any sense politically allied with National Socialism; it is whether Neumann is mistaken in his contention that Sinzheiners conception of the law and his legal strategy are to be understood as nothing more than a symptom of the crisis in Mberal law and capitalst society most malgnantly expressed by National Socialism. Did Sinzheimer have a legal theory distinguishable from proto-fascist "nstitutionalismn" in more than political intention? Are his theory and, more generally, his approach to the law promising in any important way? These questions have muore than historical interest, although the attempt to do justice to the dead is also no trivial pursuit. Contemporary debates about "egalization"(Verrechtlichung) especially in Gemnany, England, and the United States, take up the issues no ar from where Neumann left them alnost fifty years ago. When, for example, Rainer Erd in Gemmany or Karl Klare in the United States claim that the practical legal doctrine of the labor movement undermines that movements capacities for promoting the interests of the working class, let alone serving as a force for progressive social change, their analyses, rich as they are in detalled treatment of recent events and legal judgements, follow along the Hnes which Neumann developed.(11) And when Gunther Teubner or Ruediger Voigt explore the possibilities of a"reflexive jurisprudence" to provide for multiple self- governing constitutions within the framework provided by a democratic state in place of the opaque administrative arbitrage found ever more oppressive and ineffective by crities of all political persuasions, their thinking is reminiscent of Sinzheimer--and susceptible to the criticism we are concerned to assess.(12) The answer to be suggested here is that Sinzheiner's legal theory cannot be considered apart from his legal, publicistic, pedagogical, and political practice, because his theory itself presupposes continuous action to shift the balance of social power; it rests ultimately upon a theory of constitutional change which recognizes that constitutional questions involve an interplay between questions of law and questions of might. This is not to suggest some dialectical unification of theory and practice: the relationships are those of complementarity rather than synthesis. But the rendering of legal structures and relationships provided by the theory is expressly context-dependent, and the context is understood to be shaped by contests among social and political actors, contests whose outcomes cannot be detemnined by the theory. Accordingly, Sinzheiner, never, promulgated a universal theory of "nstitutionalism;" he saw certain institutionalist modes of legal interpretation becoming increasingly pertinent to certain issues within a new constellation of social forces. He was aknost always eminently clear about the limiting conditions upon which such proposals rested, and he knew what it meant to lose the fight to secure those conditions and the consequent need to rethink. Piis theory mnight best be construed as a strategic conception, whose concrete meanings are presented to us more rehably in specific legal arguments than in the most general theoretical utterances. Neumann knew all this, because he was intimately associated with Sinzheiner during the later Weinar years, and shared his strategic conception in most respects. Under conditions of defeat and exile, however, Neumann became intrigued with the possibilities of an integral, dialectical theory which could read univocal meanings in developments and project necessary next steps. That theory inchined towards simplifications cast in temns of spiritual stages symptomatic of socio-economic ones. As Neumann himself subsequently came closer to seeing -43 Hugo Sinzheimer: resistance once more, such theory could also be deeply misleading, precisely because of its excessive ambition. While it may be possible to fommulate"institutionalsm" as a single coherent theory by abstracting certain common features from several sorts of arguments and showing their simnilarity to certain French legal theories, it is by no means clear that such a theory was held in Gemnany in that way. Nazl "nstitutionalisen" makes no sense without the conception of the"Fuehrer;" and Sinzheimers"nstitutionalism" depends equally on the conception of organized workers resistance to domination by property. We need a greater appreciation for ambiquity and complexity, as well as curiosity about the detailed treatmient of particular problems, to appreciate Sinzheiners achievement-- and to build the kind of legal theory to which he aspired. The brilliant refugee generation, desolate in their isolation, left us one unfortunate legacy, along with many riches. Probing the agonizing herve of what they took to be their own fallures, they inclined towards a perversely teleological reading of Gemman intellectual history. Al thinking was reinterpreted as pointing towards Naz! ideology(or painstakingly exempted from the stigma). Often this included their own past thought and led to a tragic loss of depth and subtlety. Sinzheimer was largely exempted from this tendency to blame the victins alongside of the oppressors, as witness his sad, ironic, but ultinately triumphant affimnation of the rich variety of German legal thinking in Jewish Classiggof Gemnan Legal Science. But he could not escape the consequences of being deprived of hys craft. 1f his theorizing depended on the complementarity of his practice, and if forced exlle denied him that crucial resource, the Netherlands never received his most vital, living thought. Even the reflections of such a mind can be stimulating; but they can't replace the thinking lawyer. It is tie, fifty years after harboring the refugee, to entertain some of his legal thought. Notes Acknowledgement: The research of which this is a first product, on"Labor and the Law in Gemnany and the United States, 1912-1937," is indebted to the Netherlands Institute for Advanced Study in the Social Sciences and Humanities, Bard Colege Center, Trent University Research Committee, and the Social Science and Humanities Research Council of Canada. "Rights and duties are no longer to be connected to the wills of legal persons "Der equal before the law but rather to objective facts." Franz L. Neumann, Funktionswandel des Gesetzes imm Recht der buergerlichen Gesellschaft," 6 Zeitschritt fuer Sozialforschung(1937) 542.596, at 590. 2 See also Behemoth, Second Revised Edition,(New York, 1944), pp. 440.458; Die Herrschaft des Gesetzes,(Frankfürt, 1980) 260-280; 298-313. Paragraph 1 0f the Betriebsraetegesetz of 4 February 1920 states asone of the two basic objectives of the Betriebsraete:"zur Unterstuetzung des Unternehmers in der Ertuellung der Betriebszwecke." Paragraph 1 of the 1934 Gesetz zur Ordhung der nationalen Arbeit provides: In Betrieb arbeiten der Unternehmner als Fuehrer des Betriebes, die Angestellten und Arbeiter, als Gefolgschaft gemeinsam zur Foerderung der Betriebszwecke und zum gemeinen Nutzen von Volk und Staat." -44. David Kettler and Paragraph 6,"Der Vertrauensrat hat die Pflicht, das gegenseitige Vertrauen imnerhalb der Betriebsgemeinschaft zu vertiefen." W. Mansfeld et al., Die Ordnung der Nationalen Arbeit(Koeln, 1934). Among Sinzhemmers works, the following are fundamental to the development of his positon: Der Korporative Arbeitsnommenvertrag. Eine privatrechtliche Untersuchung, leppzig: part 1, 1907, part 2, 1908; Ein Arbeitstarffgesetz. Dle lGes der sozlalen Selbstbestimmung in Recht, Munich and Leipzig, 1916; Otto Kahn- Freund, ed., Arbeitsrecht und Rechtssoziologie, Frankfurt/ Cologne, 1976, vol.1 35-69, 402-422; vol. 2, 3-41 3 Hans Wrobel,"Der deutsche Richterbund im Jahre 1933," 15 Kritische Justiz 4 (1982) pp. 323-347, at p. 342; Hugo Sinzheiner, Gründzuege des Arbeitsrechts. Zweite, Erweiterte und Voellig Ungearbeitete Auflage. Jena: Verlag von Gustav Fischer, 1927. Thilo Ramm,ed. Die Justiz in der Weinarar Republik, Neuwied and Berlin, 1968. 4 Decision of the Reichsgericht, 6 February 1923, Reichsgerichts Zeitung 106,272. The general clause concerning"good faith" is thus used as an auxthary to the construction of 323. It may be of some relevance that the same court in that yean culminated a series of cases in which it used this doctrine of underlying commercial precondition(geschaeftliche Grundlage), by actually revaluating a contract whose face value had been rendered meaningless by the Gemnan megainflation, in disregard of legal tender legislation and universally accepted doctrine (Decision of November 28, 1923), and that its members in effect threatened to rule in disregard of the legislation which was enacted in 1925, in order to set limits to such revaluation. The doctrinal history we are considering cannot be separated, as will become clear, from questonsabout the fon and mits of judicial authority. The leading case of the Reichsarbeitsgericht was the decision of 20 June 1928, Bensheiner Sammlung, vol. 3, No. 35, 0. 116. Fordiscussion ofthe cases, andacomplete list of related cases up to July 2, 1930 see Otto Kahn-Freund,"The Social Ideal of the Reich Labour Court," in Roy Lewis and Jon Clark, eds. Labour Law and Politics in the Weimar Republic(Oxford, 1981), pp. 126 f. and footnote 42 on p.158. Latercahthe help of the index in the anqual compilation of supplements to Das Arbeitsrecht: Rechtsprechung des Arbeitsrechts. For the herrschende Lehre, past and present, see, for example, Alfred Hueck and H.C. Nipperdey, Lehrbuch des Arbeitsrechts(Mannheim, 1928), pp. 194-20]; same (1970), pp. 81-84. Justus Whern Hedemann, Schuldrecht des Buergerlichen Walter, Kaskel, Arbeitsrecht Gesetzbuches, Berlin, 1949, pp. 266-269; Neubearbeitet von Hermann Dersch, Berlin, 1932, pp. 188-190; 0. Jademig et al. Buergerliches Gesetzbuch, Munich, 1981,pp.622.624. 5 That it also serves, at least in the modified fomn given to it by the Hoge Raad in its decision of May 7, 1976(Nederlands Jurisprudentie, 1977.55, pp. 1086-1099) to give incentives to breaches of actual sondarity, has been well pointed out by Jaspers and van Peiype. A. Ph. Jaspers en 7. van Peijpe,"Werkwilligen en stakingsrecht," Social Maandblad Arbeid, Januari 1983, 18-40 6 That the ideological themes may be interesting quite apart from the diverse outcomes of contested cases is suggested by the following excerpts, presented without further comment, astaken from the 1953 RGR Komm ZUm BGB: (Nach dem ersten Weltkriege) bildeten sich fuer die abhaengige Arbeit -45 Hugo Sinzheimer: resistance Grundsaetze heraus, die sich immer mehr von dem schuldrechtlichen Charakter des Dienstvertrages entfernten, ihre Grundlage in der aus den betrieblichen Zusammenarbeit sich ergenbenden Verbundenheit und in der Diese kollektiven Gestaltung des Arbeitsverhaelthisses fanden. Entwicklung wurde waehrend der Geltung des Gesetzes zur Ordhung den nationalen Arbeit vom 20. 1. 1934 nicht unterbrochen, da dieses in Hinsicht auf das Wesen des abhaengigen Dienstverhaeltnisses nur die bisher schon entwickelten Grundsaetze sich zu eigen machte, und der von ihn eingefuehrte Fuehrergrundsatz daran nichts wesentliches aenderte. Die neue Auffassung ueber das Arbeitsverhaeltnis als ein personenrechtliches Gemeinschaftsverhaeltnis setzte sich endgueltig durch und is auch heute noch herrschend.(S. 304).... Waehrend nach der frueheren Rechtsprechung Arbeitgeber und Arbeithehmer jeder das in seinen Verantwortungskreis fallende Risiko zu tragen hatte, der Arbeitgeber den aus betriebtechnischen oder betriebswirtschaftlichen Gruenden entstehenden Arbeitsausfall, der Arbeithehmer den durch sein oder seiner Kameraden Verhalten bedingten Ausfall und bei algemeinen Behinderungen.. das Risiko gemeinsam to tragen war, hat das Reichsarbeitsgericht nach dem Inkrafttreten des Arbeits-Ordnungs-Gesetzes aus der fuehrenden Stellung des Unternehmers, in betrieblichen Angelegenheiten und der ihm obliegenden Fuersorgepflicht gefolgert, dass er das gesamte Risiko grundsaetzlich allein zu tragen habe und nur eine Gefaehrdung des Fortbestandes des Betriebes in Zusammenhange, mit, der, dem Arbeitsnehmer obliegende Treupflicht eine zeitweile Beschraenkung oder ausnahmsweise auch ein Erloeschen der Lohnansprueche rechtfertigen koennte.(RAGArbRSam! 43,21) Dieser Grundsatz wird auch nach Authebung des AOG weiter anerkannt, wenn er nunmehr auch aus der Stellung des Arbeitgebers als Unternehmer hergeleitet wird, der die Leitung und Verantwortung fuer die Fuehrung des Unternehmens habe, auch die Vorteile aus der Arbeit ziehe undhahde achtele zu tag habe.(308) Subsequent developments reinstated the doctrine of"spheres." The commentaton does not consider it worth remarking that during the period of the AOG, as he delicately puts it, the"eader"of the"enterprise-community"did not have to worry about the risk of strikes. 7 Hugo Sinzheimer,"Zur Frage des Betriebsrisikos nach der arbeitsgerichtlichen Rechtsprechung," Schriften der VELA, Vereinigung der leitenden Angestellten, Heft 5. Berlin, 1929, pp. 42 and 45. See also Hugo Sinzheimer,"Absatzstockung und Arbeitsvertrag,"(1924) in Ramm, ed., op. cit., vol. 1, pp. 207-215. Similar: Franz L. Neumann,'Betriebsrisiko," 1 Arbeitsrechts-Praxis, Hieft 10(1928), pp. 219-223 8 Hugo Sinzheimer, Grundzuege des Arbeitsrechts, Zweite erweiterte und voellig ungearbeitete Auflage, Jena, 1927. foracontrating assessmentof Sinzheimers work and of the legal policies of the labor movement in Weimar, see the wellresearched work by Martin Martiny, Integration oder Konfrontation(Bonn, Bad Godesberg, 1976)- Otto Gierke, Das deutsche Genossenschaftsrecht, vol I Rechtsgeschichte der deutschen Genossenschaft, Paragraphs II-15, 19-23,30.Georg Simmel, Soziologle: Untersuchungen ueber die Fommen der Vergesellschaftung. Sinzheimers conception of constitutional development derives in part from Georg Jellinek, Verfassungsaenderung und Verfasungswandlung, Berlin, 1906. See Hugo Jedische Klassiker der deutschen VGeorg Jellinek, Sinzheimer, Rechtswissenschaft(Amsterdam, 1938). -46 David Kettler The question whether the growing power of labor can be"cashed in" from tine to tie in the fomn of constitutional change and refomn of the law is matter fon interesting discussion among social democrats during the debate on the BG8 in the last decade of the mineteenth century. Thomas Vormbaum, Sozialdemokratie und Zivilrechtskodifikation(Berlin and New York, 1977). I aso ocsonsathot but heretical rejoinder to Engels/Kautskys treatment of Mengers"JuristenSozialismus", by an anonynous writer uncharacteristically given space in Neue Zeit by Kautsky. The writer distinguishes two wiews of the power of labor, one taking it as"atent” and the other as"actual". Those who hold the fomner think that labors increasing power can only assert itself in a revolutionary noment; the others, that the power steadlly changes the social equation and mnakes possible continuous and cumulative assertion by way of legal changes. Anon.,"Die soziale Frage und die Rechtsordnung," Neue Zeit, XI/2(1890-91) Nr. 40,pp. 430-438; Nr. 41, pp. 476-480; Nr. 43, pp. 539-544 Von der vorwiegend logischen und abstrakten Denkungsweise, die vom falsch verstandenen roemischen Rechte beeinflusst war, ist man dazu uebergegangen, das Recht als etwas Biologisches, als einen Ausschnitt des lebendigen Lebens aufzufassen und Recht und BIligkeit als etwas unloesbares, anzusehen, dabe! den engen Gesichtspunkt der, rein privatrechtlichen Auffassung zu verlassen und zugleich dem sozialen Gedanken den gebuehreneden Platz einzurauemen.... An Stelle des roemischen Individual-Egoismus soll der aldeutsche genossenschaftliche Geist treten. Juristische Wochenschau, 55. Jg. Heft 28,4 Dez 1926. For Sinzheiners role in govermmental dehberations on the labor courts, see Reichskanzlei Akten betreffend Einheitliches Arbeitsrecht(Arbeitsgerichtsgesetz) Bundesarchiv Koblenz, R43 17 2062-2063. The fuer die Neuregelung des Arbeitsrechts in Deutschland," by Sinzheiner. Paul nbreit, the editor of the Korrespondenzblatt of the Free Trade Unions, represented that otrganization in these discussions. Note the paralellism between his intervention in the meeting of 20/21 February 1922(f. 188) and Sinzheiners written response to the agenda(f. 178). Cp. Martiny, op.cit.,pp.99-114. Aus der dunklen Ecke des frueheren Rechts, das sich um die Masse des 10 arbeitenden Volkes nicht kuemmerte, ist nun ein Recht und ein Verfahren entstanden, das die Masse dem Lichte einer vollen rechtlichen Geltung Ohne, den Kampf, die Muehe, die Opfer, und die zutuehrt. Machtentwicklung der Arbeiterbewegung waere dieses Recht niemals gekommen. Die Entwicklung des Arbeitsrechts zeigt deutlicher als irgendein, anderes Rechtsgebiet die Richtigkeit der dynamischen Betrachtung in Rechte. Nicht aus juristischen Theorien und dogmatischen Weisheit ist der neue Rechtzustand geworden. Der neue Rechtzustand ist der Niederschlag der grossen sozialen Bewegung, die fornelle Anerkennung einer tatsaechlichen Macht. Rammed., op.cit.,p.112 11 See also the contemporaneous writings of Otto Kahn-Freund, especially"The Changing Functions of Labor Law,"in Lewis and Clark, op.cit. The belated and very restricted post-war reception of these Weinar labor law -47- Hugo Sinzheimer: resistance discussions was initiated by Thlo Ramm, with a source book, Arbeitsrecht und Politik, Neuwied, 1966. See also his authoritative review of the record, a numben of years later,"Die Arbeitsverfassung der Weinarer Republik," in Franz Gamillscheg, et al., I Memoriam Sir Otto Kahn-Freund(Munich, 1980). In the same volume is a valuable contribution by a ushed schoar who was Sinzheiners last agistant in Frankfurt: Franz Mestitz,"Zur Wirkungsgeschichte des Arbeitsrechts." Contrasting and ilustrative recent interpretations of the story are Andreas Kaiser,"Kollektives Arbeitsrecht und gewerkschaftlicher Funktionsverlust in der Weiarer Republik," Demokratie und Recht, 8. Jg., Heft 4, 1980, 444-451, and Henryk Skrzypezak,"Zur Strategle der Freien Gewerkschaften in der Weinarer Republik," in Heinz Oskar Vetter, ed., Vom Sozialistengesetz zur Mitbestimmung, Cologne, 1975, pp. 201 ff. An outstanding spechalist on Kahn-freund, Neumann, et al. is Wolfgang Luthardt. See, for example, his forthcoming article in Internationale Wissenschaftliche Korrespondenz:„Kontinuitaet und Wandel in der Theorie franz L. Neumanns. On"Verrechtlichung" in the labor movement: Rainer Erd, Verrechtlichund industrieller Konflikte, Frankfurt, 1979; Karl Klare,"Judichal Deradicahzation of the Wagner Act and the Origin of Modern Legal Consciousness, 1937-1941." 62 Minnesota Law Review 265(1978) and"Critical Theory and Labor Relations Law," iDavid Kairys,ed. The Politics of Law. New York, 1982, pp. 65-88. There are usefully contrasting viewpoints in two papers in Zeitschrift fuer Rechtssoziologie 1/81, indicating the present state of the Gemman debate: contributon y Mchae Kittner/Axel Breinlinger and by Wolfgang Daeubler. The corresponding American debate, much cruder, is in 4 National Labor Relations law Journal 450(1981) Guenther, Teubner,"Reflexives Recht," 68 Archiv fuer Rechts- und 12 Sozialphilosophie, pp. 13-59(1982). Ruediger Voigt,"Verrechtlichung in Staat und Gesellschaft," in Ruediger Voigt, ed., Verrechtlichung(Koenigstein, 1980), as well as forthcoming work. -48. 5 a 8 8 2aa -49 a5 98. 25 n o 5! . en 23 ai s a se N2 o ao. 50 Pi 5. . 28 o 5a38 oo 2 a a 55. Sa 23 ia 8.5 a; a e 3. 8äi a 80- aas V. Sa aaa 5s a 8 582 u. 8 58s. ia aa 550 . 5g 22. a 55 2 i s 2 a E a 5äs 8: 5 5 å. as sa 3a 58 ieo o8 -51 o se 32 3 s 2? E23 -9 Sa ag0 3 55 o - 20 8i ie 5; a 8.s 2 88 ung93 s: 8: 55 5 SSaaa au a 55 o u. 58 2 e a -4 2. Sa 5- au0 - 3. 2 55 s aa - 3 s -52 58 -1 4. -20 2 2 ia 2 e E ... s 8u -3 aot OlsUI R .5 2 a ai t 2. o Sue t e -1 -- 2 8 E 2 5 nf 8 8 os t - 8s iis 8 as 55 Se ä8s 2: as 5: 2 58 sa a 2 2. S. E8. aas ög 5a aä) a 3 " 523 -54 5. 23: Sa åv 26 Tes a 5 cid 2 Be 3: 5 e . 8. 28: a 5: 2.8 3s Sa a 23) e 38 3. aa -53 .. o se 55 ELNj2N 52 i 5m 3. o 2) 8a e 3i i 42 : 93 e -8 55 8 aa as Saaas . 3 5 a 2e. 2a 583 83 22 58" 52 E3aa3 -36- s 6 22 i3 - 3 5. sa 2 a . as i F a is as 2: Sa a e 5. )it 5. 38 a? så 2 20 a as aa a: a 23 2s 557- ai aa a 58 2; 6. 93 2 0 i Sa 25 SIIET . 5i a Sa 72 e aa E 2 55 8sä o2 : 82 23 So 33 s. A oo 2 a a 538